Problemen met TCP/IP-verbindingen oplossen in Windows 2000 of Windows NT

Vertaalde artikelen Vertaalde artikelen
Artikel ID: 102908 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is.
Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL102908
Klik op 314067 voor een Microsoft Windows XP-versie van dit artikel.
Alles uitklappen | Alles samenvouwen

Samenvatting

De hulpprogramma's ARP, PING, FTP, NETSTAT en NBTSTAT kunnen nuttige informatie verstrekken wanneer u de oorzaak probeert vast te stellen van TCP/IP-netwerkproblemen in Windows. Hieronder vindt u een lijst met mogelijke TCP/IP-problemen en aanbevelingen voor het gebruik van deze hulpprogramma's om de oorzaak van de problemen vast te stellen. Deze lijst is niet volledig, maar biedt wel voorbeelden van het gebruik van de hulpprogramma's voor het opsporen van netwerkproblemen.

Meer informatie

Q: Hoe kan ik vaststellen of TCP/IP juist is geïnstalleerd op een Windows-systeem?

A: Voer PING uit op het lokale systeem door het IP-kringloopadres 127.0.0.1 te typen bij de opdrachtregel:
ping 127.0.0.1


Het systeem moet direct reageren. Als PING niet wordt gevonden of als de opdracht niet kan worden uitgevoerd, opent u het gebeurtenislogboek met Logboekinzage en zoekt u naar problemen die gemeld worden door Setup of de TCP/IP-service. Probeer PING ook uit te voeren met de IP-adressen van de lokale interface(s) om vast te stellen of IP correct is geconfigureerd. Succesvol gebruik van PING geeft aan dat de IP-laag op het doelsysteem waarschijnlijk functioneel is.

Q: Hoe kan ik vaststellen of de FTP Server-service correct is geïnstalleerd op een Windows-systeem?

A: Voer FTP uit op het lokale systeem door het IP-kringloopadres te typen bij de opdrachtregel:
ftp 127.0.0.1


De interactie met de lokale server is identiek aan de interactie die verwacht wordt voor andere Windows-clients (en de meeste UNIX-clients). U kunt deze opdracht ook gebruiken om vast te stellen of de mappen, machtigingen, enzovoort, van de FTP Server-service juist zijn geconfigureerd.

Q: Waardoor wordt Fout 53 veroorzaakt wanneer ik verbinding maak met een Windows NT-, Windows voor Workgroups- of Microsoft LAN Manager-server?

A: Fout 53 wordt geretourneerd wanneer de opgegeven computernaam niet wordt omgezet. Als de computer zich in het lokale subnet bevindt, controleert u of de naam juist is gespeld en of TCP/IP ook op het doelsysteem wordt uitgevoerd. Als de computer zich niet in het lokale subnet bevindt, controleert u of de computernaam en de IP-adrestoewijzing beschikbaar zijn in het bestand LMHOSTS. Als alles correct blijkt te zijn geïnstalleerd, voert u PING uit voor het externe systeem om te controleren of de TCP/IP-software op het externe systeem juist werkt.

Q: Wat kan ik doen als het ongebruikelijk lang duurt om verbinding te maken met de server nadat ik een nieuwe toewijzing heb toegevoegd aan het bestand LMHOSTS?

A: Een groot LMHOSTS-bestand met een vermelding aan het einde van het bestand, mogelijk volgend op een aantal #INCLUDE-instructies, kan de oorzaak van het probleem zijn. U kunt op twee manieren te werk gaan om de verbindingstijd te versnellen: markeer de vermelding als een vooraf geladen vermelding door de toewijzing te laten volgen door de codering #PRE en gebruik de opdracht NBTSTAT -R om de lokale naamcache direct bij te werken, of plaats de toewijzing hoger in het bestand LMHOSTS.

Het bestand LMHOSTS is sequentieel geparseerd om niet-#PREloaded vermeldingen te groeperen. Daarom kunt u veelgebruikte vermeldingen het beste hoger in het bestand plaatsen en de #PRE-vermeldingen tegen het einde.

Q: Wat kan ik doen als gebruikers moeilijk verbinding kunnen maken met een bepaalde server, zelfs wanneer dezelfde naam wordt opgegeven?

A: Gebruik de opdracht NBTSTAT -N om (gemachtigd) vast te stellen welke naam de server heeft geregistreerd in het netwerk. De uitvoer van deze opdracht vermeldt verschillende namen die het systeem heeft geregistreerd met behulp van NetBIOS via TCP/IP. Eén naam die lijkt op de computernaam van het systeem, moet aanwezig zijn. Als dat niet het geval is, probeert u een van de andere unieke namen die worden weergegeven. De opdracht NBTSTAT kan tevens de vermeldingen in cache voor externe systemen weergeven die vooraf worden geladen vanuit LMHOSTS of die recent zijn omgezet als gevolg van netwerkactiviteiten. Als de naam die de externe gebruikers gebruiken hetzelfde is en de andere systemen zich in een extern subnet bevinden, moet u ervoor zorgen dat de toewijzing voor het systeem aanwezig is in het bestand LMHOSTS van de andere systemen.

Q: Wat moet ik doen als ik geen verbinding kan maken met externe systemen met hostnamen die gebruikmaken van TELNET, FTP, enzovoort, en ik alleen verbinding kan maken met behulp van IP-adressen?

A: Gebruik het onderdeel Netwerk in het Configuratiescherm om de configuratie voor het omzetten van de hostnaam (onder de TCP/IP-verbindingsoptie) te controleren en zorg ervoor dat de juiste HOSTS- en DNS-configuratie is ingesteld voor het systeem. Als u het bestand HOSTS gebruikt, moet u ervoor zorgen dat de naam van het externe systeem in het bestand hetzelfde wordt gespeld als de naam die door de toepassing wordt gebruikt. Als u gebruikmaakt van DNS, moet u ervoor zorgen dat de IP-adressen van de DNS-servers correct zijn en in de juiste volgorde staan. U kunt vaststellen of de hostnaam correct wordt omgezet als u PING voor het externe systeem uitvoert door zowel de hostnaam als het IP-adres te typen.

Q: In het bericht dat wordt weergegeven wanneer ik TELNET met een bepaalde computer gebruik, wordt een andere computer weergegeven dan de computer waarmee ik verbinding wil maken, zelfs als ik het juiste IP-adres opgeef. Hoe is dit mogelijk?

A: Dit soort situaties ontstaat doorgaans wanneer twee systemen in hetzelfde netwerk (per ongeluk) met hetzelfde IP-adres zijn geconfigureerd. De toewijzing van het Ethernet- en IP-adres wordt uitgevoerd door de ARP-module (Address Resolution Protocol), die uitgaat van het eerste antwoord dat wordt ontvangen. Het is dus mogelijk dat het antwoord van de ongewenste computer wordt ontvangen vóór het antwoord van de gewenste computer. Deze problemen zijn moeilijk op te sporen. Met de opdracht ARP -g geeft u de toewijzingen in de ARP-cache weer. Als u het Ethernet-adres voor het gewenste externe systeem kent, kunt u gemakkelijk vaststellen of beide adressen hetzelfde zijn. Als u het Ethernet-adres niet kent, gebruikt u ARP D om de vermelding te verwijderen. Vervolgens voert u PING uit voor hetzelfde adres (waardoor een nieuwe ARP-toewijzing wordt geforceerd) en controleert u het Ethernet-adres in de cache opnieuw met behulp van ARP -g. Als beide systemen zich in hetzelfde netwerk bevinden, is het goed mogelijk dat u uiteindelijk een ander antwoord krijgt. Als geen ander antwoord wordt verkregen, moet u het verkeer van de ongewenste hostcomputer mogelijk filteren om de eigenaar of locatie van het systeem te bepalen.

Q: Wat moet ik doen wanneer een TCP/IP-verbinding met een extern systeem lijkt te zijn vastgelopen?

A: De opdracht NETSTAT -a toont de status van alle activiteiten op de TCP- en UDP-poorten op het lokale systeem. De staat van een goede TCP-verbinding wordt doorgaans bewerkstelligd met 0 bytes in de wachtrijen voor verzenden en ontvangen. Als gegevens in een van beide wachtrijen geblokkeerd zijn of als de status onregelmatig is, is er waarschijnlijk een probleem met de verbinding. Als dat niet het geval is, ondervindt het netwerk of de toepassing waarschijnlijk een vertraging.

Q: Wat moet ik doen als in het dialoogvenster TCP/IP-configuratie het volgende wordt gemeld: 'Uw standaardgateway behoort niet tot één van uw geconfigureerde interfaces. Wilt u deze wijzigen?'

A: Deze fout geeft aan dat de standaardgateway zich niet in hetzelfde logische netwerk bevindt als de in het systeem geïnstalleerde interfaces. Dit wordt vastgesteld door een vergelijking van de netwerk-ID van de standaardgateway (door een bit-gewijze AND-bewerking te berekenen tussen het subnetmasker en de standaardgateway) en de netwerk-ID('s) van de geïnstalleerde interfaces. Een systeem met één interface, geconfigureerd met het IP-adres 102.54.0.1 en het subnetmasker 255.255.0.0, vereist bijvoorbeeld dat de standaardgateway de notatie 102.54.a.b heeft, omdat het netwerk-ID-gedeelte van de IP-interface 102.54 is.

Eigenschappen

Artikel ID: 102908 - Laatste beoordeling: maandag 15 augustus 2005 - Wijziging: 2.0
De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Windows® 2000 Server
  • Microsoft Windows 2000 Advanced Server
  • Microsoft Windows 2000 Professional Edition
  • Microsoft Windows 2000 Datacenter Server
  • Microsoft Windows NT Advanced Server 3.1
  • Microsoft Windows NT Server 4.0 Standard Edition
  • Microsoft Windows NT Workstation 3.1
  • Microsoft Windows NT Workstation 4.0 Developer Edition
  • Microsoft Windows NT Advanced Server 3.1
Trefwoorden: 
kbnetwork KB102908

Geef ons feedback

 

Contact us for more help

Contact us for more help
Connect with Answer Desk for expert help.
Get more support from smallbusiness.support.microsoft.com