Basisproblemen met TCP/IP oplossen

Vertaalde artikelen Vertaalde artikelen
Artikel ID: 169790 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is.
Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL169790
Alles uitklappen | Alles samenvouwen

Op deze pagina

Samenvatting

In dit artikel wordt beschreven hoe u te werk kunt gaan bij een aantal algemene problemen met netwerkcommunicatie die voorkomen wanneer u het TCP/IP-netwerkprotocol gebruikt. Deze problemen vallen gewoonlijk in de volgende twee categorieën:
  • U kunt geen verbinding maken met een specifiek IP-adres.

  • U kunt geen verbinding maken met een specifieke host of NetBIOS-naam.
Als u geen verbinding kunt maken met een specifiek IP-adres, heeft het probleem te maken met de verbinding zelf. Als u wel verbinding kunt maken met een specifiek IP-adres maar daarbij de host of NetBIOS-naam voor het IP-adres niet kunt gebruiken, heeft het probleem te maken met naamomzetting.

OPMERKING: alle onderstaande stappen voor probleemoplossing zijn geschikt voor Windows NT en 2000, maar mogelijk niet voor Windows 9x (met uitzondering van Windows ME). De basismethoden voor diagnostiek en probleemoplossing zijn echter identiek voor alle Windows-systemen.

Meer informatie

Als u wilt bepalen of het probleem te maken heeft met de verbinding zelf of met naamomzetting, kunt u met de volgende procedure nagaan of u verbinding kunt maken met een specifiek IP-adres.

Verbinding maken met een IP-adres

Maak verbinding met een andere computer in uw netwerk via het IP-adres van die computer en het TCP/IP-programma van uw keuze. Webbrowsers, FTP en Telnet zijn typische programma's waarmee u via het TCP/IP-protocol verbinding kunt maken met andere computers.

OPMERKING: als u niet weet wat het IP-adres is van de Windows NT- of Windows 2000-computer waarmee u verbinding wilt maken, geeft u de opdracht IPCONFIG /ALL op bij de opdrachtprompt van die computer.

Als u geen verbinding kunt maken met de andere computer via het IP-adres van die computer, is dat te wijten aan een probleem met de verbinding zelf. Raadpleeg de informatie in de onderstaande sectie 'Kan geen verbinding maken met een specifiek IP-adres' om het probleem op te lossen. Kunt u wel verbinding maken via het IP-adres van de computer maar niet via de host of NetBIOS-naam van die computer, dan heeft het probleem waarschijnlijk te maken met naamomzetting. Raadpleeg de informatie in de onderstaande sectie 'Kan geen verbinding maken met een specifieke host of NetBIOS-naam' om het probleem op te lossen.

KAN GEEN VERBINDING MAKEN MET EEN SPECIFIEK IP-ADRES

Volg de procedures in de onderstaande secties in de aangegeven volgorde. Nadat u een procedure hebt voltooid, probeert u nogmaals verbinding te maken met de computer via het IP-adres.

De TCP/IP-configuratie controleren

Als u het TCP/IP-netwerkprotocol gebruikt, kunnen er communicatieproblemen ontstaan door een onjuiste TCP/IP-instelling (zoals een onjuist IP-adres of een onjuist subnetmasker). Als u wilt nagaan of een dergelijke TCP/IP-fout is vastgelegd door Windows NT of Windows 2000, opent u het systeemlogboek in de module Logboeken. Vervolgens zoekt u naar de vermeldingen waarbij TCP/IP of DHCP is aangeduid als bron. Als u een vermelding in het systeemlogboek wilt bekijken, dubbelklikt u op de vermelding.

OPMERKING: als er een DHCP-fout is vastgelegd in Logboeken, moet u de fout melden aan de netwerkbeheerder.

Als er TCP/IP-fouten zijn vastgelegd in het systeemlogboek in de module Logboeken, lost u elke fout op zoals aangegeven in het foutbericht. Bij een foutbericht waarin staat dat de parameter voor het IP-adres onjuist is bijvoorbeeld, gaat u na of het IP-adres geldig is.

Als het systeemlogboek geen fouten bevat, volgt u de onderstaande stappen om te controleren of de juiste TCP/IP-configuratiegegevens worden gebruikt:
  1. Met de opdracht IPCONFIG kunt u nagaan welke TCP/IP-basisinstellingen zijn ingesteld op de computer. Hiertoe typt u ipconfig bij een MS-DOS-prompt.
  2. Controleer of het IP-adres en het subnetmasker die door de opdracht IPCONFIG worden weergegeven inderdaad correct zijn voor uw computer. Als u de juiste waarden niet kent, neemt u contact op met de netwerkbeheerder.

De opdracht PING gebruiken voor het loopback-adres

Gebruik de opdracht PING om te controleren of het TCP/IP-protocol correct functioneert. U doet dit door het loopback-adres (127.0.0.1) te pingen met de volgende opdracht bij de opdrachtprompt:
  • ping 127.0.0.1
Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Pinging 127.0.0.1 with 32 bytes of data:

   Reply from 127.0.0.1: bytes=32 time=<10ms TTL=128
   Reply from 127.0.0.1: bytes=32 time=<10ms TTL=128
   Reply from 127.0.0.1: bytes=32 time=<10ms TTL=128
   Reply from 127.0.0.1: bytes=32 time=<10ms TTL=128
Ontvangt u echter een foutbericht, dan is het TCP/IP-protocol niet correct geïnstalleerd. Als u TCP/IP wilt verwijderen en opnieuw wilt installeren, gaat u als volgt te werk:

OPMERKING: u moet zijn aangemeld als een gebruiker met beheerdersbevoegdheid om de volgende stappen te kunnen uitvoeren.
  1. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Protocollen.
  2. Klik op het TCP/IP-protocol om het te selecteren. Klik achtereenvolgens op Verwijderen en op Ja.
  3. Klik op Sluiten en vervolgens op Ja om de computer opnieuw op te starten.
  4. Meld u aan als een gebruiker met beheerdersbevoegdheid.
  5. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Protocollen.
  6. Klik op Toevoegen, vervolgens op het TCP/IP-protocol om het te selecteren en tot slot op OK.
  7. Als u DHCP wilt gebruiken, klikt u op Ja wanneer u daarom wordt gevraagd. Wilt u DHCP niet gebruiken, dan klikt u op Nee.
  8. Typ het pad naar de bronbestanden van Windows NT wanneer u daarom wordt gevraagd. Klik op Doorgaan en vervolgens op Sluiten.
  9. Als u DHCP niet gebruikt, wordt u gevraagd om uw TCP/IP-configuratiegegevens. Geef de juiste waarden op en klik op OK. Als u de juiste waarden niet kent, neemt u contact op met de netwerkbeheerder.
  10. Klik op Nee wanneer u wordt gevraagd of u de computer opnieuw wilt opstarten. Als er een Windows NT Service Pack op de computer is geïnstalleerd, installeert u dit opnieuw voordat u de computer opnieuw opstart.
  11. Start de computer opnieuw op.
Als u een foutbericht ontvangt tijdens het verwijderen of opnieuw installeren van TCP/IP, moet u het protocol wellicht handmatig uit het Windows NT-register verwijderen. In het volgende artikel in de Microsoft Knowledge Base vindt u meer informatie over het handmatig verwijderen van TCP/IP uit het Windows NT-register:
  • 151237 Error Message When Installing TCP/IP or Adding TCP/IP Service

De opdracht PING gebruiken voor het IP-adres van de computer

Als u het loopback-adres hebt kunnen pingen, probeert u hetzelfde met uw eigen IP-adres door ping <IP-adres> te typen bij een opdrachtprompt, waarbij <IP-adres> staat voor het IP-adres van uw computer.

OPMERKING: als u het IP-adres van uw computer niet kent, typt u ipconfig bij een MS-DOS-prompt.

Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:

   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=77ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=80ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=78ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=79ms TTL=28
Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van de computer.

Als u echter een foutbericht ontvangt, is er mogelijk een communicatieprobleem tussen Windows NT en de netwerkadapter. Om dit probleem op te lossen, verwijdert u het stuurprogramma voor de netwerkadapter en installeert u het opnieuw. Hiertoe gaat u als volgt te werk:

OPMERKING: u moet zijn aangemeld als een gebruiker met beheerdersbevoegdheid om de volgende stappen te kunnen uitvoeren.
  1. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Adapters.
  2. Klik op het stuurprogramma van de netwerkadapter om het te selecteren. Klik op Verwijderen en vervolgens op Ja.
  3. Klik op Sluiten en vervolgens op Ja om de computer opnieuw op te starten.
  4. Meld u aan als een gebruiker met beheerdersbevoegdheid.
  5. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Adapters.
  6. Klik op Toevoegen, vervolgens op de gewenste netwerkadapter om deze te selecteren en tot slot op OK.
  7. In de dialoogvensters die verschijnen, kunt u de netwerkadapter configureren. Klik vervolgens op OK.
  8. Typ het pad naar de bronbestanden van Windows NT wanneer u daarom wordt gevraagd. Klik op Doorgaan en vervolgens op Sluiten.
  9. Wanneer u wordt gevraagd om de TCP/IP-configuratiegegevens, geeft u de juiste waarden op en klikt u vervolgens op OK. Als u de juiste waarden niet kent, neemt u contact op met de netwerkbeheerder.
  10. Klik op Nee wanneer u wordt gevraagd of u de computer opnieuw wilt opstarten. Als er een Windows NT Service Pack op de computer is geïnstalleerd, installeert u dit opnieuw voordat u de computer opnieuw opstart.
  11. Start de computer opnieuw op.
Als het niet lukt om het IP-adres van de computer te pingen nadat u het stuurprogramma voor de netwerkadapter hebt verwijderd en opnieuw hebt geïnstalleerd, neemt u contact op met de fabrikant van de netwerkadapter om na te gaan of u het juiste Windows NT-stuurprogramma gebruikt.

De ARP-cache wissen (Address Resolution Protocol)

De ARP-cache bestaat uit een lijst met recentelijk omgezette toewijzingen van IP-adres naar MAC-adres (Media Access Control). Het MAC-adres is het unieke fysieke adres dat is ingesloten in elke netwerkadapter.

Bij onjuiste vermeldingen in de ARP-cache worden de IP-datagrammen mogelijk naar de verkeerde computer verzonden. Met de opdracht ARP kunt u alle huidige toewijzingen in de ARP-cache weergeven. Hiertoe typt u arp -a bij een MS-DOS-prompt. Als de ARP-cache leeg is, verschijnt het bericht 'Geen ARP-vermeldingen gevonden'. Als de cache niet leeg is, krijgt u een bericht met de volgende inhoud:
   Interface: 10.1.1.3 on Interface 2
   Internet Address      Physical Address      Type
   10.1.1.7              08-00-02-06-ed-20     dynamic
   10.1.1.254            08-00-02-0a-a3-10     dynamic
Als u onjuiste vermeldingen in de ARP-cache wilt verwijderen, typt u het volgende:
  • arp -d <IP adres>
Hierbij staat <IP-adres> voor het Internet-adres dat is opgeslagen in de ARP-cache. Gebruik deze opdracht voor alle vermeldingen in de ARP-cache, totdat alle vermeldingen zijn verwijderd.

Als u meer informatie wilt over de syntaxis, opties en het gebruik van de opdracht ARP, typt u arp -? bij een MS-DOS-prompt.

De standaardgateway controleren

Met de opdracht IPCONFIG kunt u nagaan welk IP-adres wordt gebruikt om toegang te krijgen tot de standaardgateway. Hiertoe typt u 'ipconfig' (zonder aanhalingstekens) bij een opdrachtprompt. Controleer of het weergegeven IP-adres correct is voor de standaardgateway. Als u het juiste IP-adres voor de standaardgateway niet kent, neemt u contact op met de netwerkbeheerder.

Als u hebt vastgesteld dat het juiste IP-adres is ingesteld voor de standaardgateway, probeert u het IP-adres van de standaardgateway te pingen. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=77ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=80ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=78ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=79ms TTL=28
Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van de standaardgateway.

Als de standaardgateway niet is verbonden met het netwerk of niet goed functioneert, ontvangt u het volgende bericht:
   Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
   Request timed out.
   Request timed out.
   Request timed out.
   Request timed out.
Als het niet lukt om het IP-adres van de standaardgateway te pingen, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om na te gaan of uw standaardgateway is verbonden met het netwerk en of de gateway goed functioneert.

De opdracht PING gebruiken voor het IP-adres van de andere computer

Gebruik de opdracht PING voor het IP-adres van de andere computer. Hiertoe typt u ping <IP-adres> waarbij <IP-adres> staat voor het IP-adres van de andere computer. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=77ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=80ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=78ms TTL=28
   Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=79ms TTL=28
Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van de andere computer.

Als een router tussen uw computer en de andere computer niet juist is geconfigureerd of als er een probleem is met de andere computer, ontvangt u het volgende bericht:
   Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
   Request timed out.
   Request timed out.
   Request timed out.
   Request timed out.
Als de computers een verschillend subnet gebruiken, probeert u de andere computer te bereiken met de opdracht PING vanaf een computer die hetzelfde subnet gebruikt als de andere computer. Als u de andere computer nog steeds niet kunt bereiken, controleert u of deze is verbonden met het netwerk en of het IP-adres van die computer klopt. Kunt u de andere computer wel bereiken vanaf een computer in hetzelfde subnet, dan neemt u contact op met de netwerkbeheerder om eventuele problemen met de routering in het netwerk op te lossen.

Permanente vermeldingen in de routetabel controleren

Alle computers die gebruikmaken van het TCP/IP-netwerkprotocol beschikken over een routetabel. De route die een netwerkpakket aflegt van een computer met het TCP/IP-protocol naar een andere computer met het TCP/IP-protocol wordt bepaald door de routetabel van de computer die het netwerkpakket verzendt.

Wanneer u de computer opnieuw opstart, wordt de routetabel automatisch opnieuw samengesteld. Indien gewenst, kunt u zelf of met behulp van de netwerkbeheerder permanente (statische) vermeldingen toevoegen aan de routetabel van uw computer. Deze permanente vermeldingen worden automatisch ingevoegd in de routetabel wanneer de tabel opnieuw wordt samengesteld.

Met de opdracht ROUTE kunt u de routetabel van de computer weergeven. Hiertoe typt u route print bij een MS-DOS-prompt. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Active Routes:

   Network Address   Netmask           Gateway Address  Interface   Metric

   0.0.0.0           0.0.0.0           10.1.1.254       10.1.1.3       1
   10.1.0.0          255.255.0.0       10.1.1.3         10.1.1.3       1
   10.1.1.3          255.255.255.255   127.0.0.1        127.0.0.1      1
   10.255.255.255    255.255.255.255   10.1.1.3         10.1.1.3       1
   127.0.0.1         255.0.0.0         127.0.0.1        127.0.0.1      1
   224.0.0.0         224.0.0.0         10.1.1.3         10.1.1.3       1
   255.255.255.255   255.255.255.255   10.1.1.3         10.1.1.3       1
Neem contact op met de netwerkbeheerder om na te gaan of alle permanente vermeldingen in de routetabel van uw computer correct zijn.

In het volgende artikel in de Microsoft Knowledge Base vindt u meer informatie over routering, routetabellen en de opdracht ROUTE:
  • 140859 TCP/IP Routing Basics for Windows NT

De opdracht TRACERT gebruiken

Met de opdracht TRACERT kunt u alle routers of gateways vastleggen die worden gepasseerd door een TCP/IP-pakket dat op weg is naar een andere host. Als u de opdracht TRACERT wilt gebruiken om de route tussen uw computer en de andere computer vast te leggen, typt u tracert <IP-adres> bij een opdrachtprompt, waarbij <IP-adres> staat voor het IP-adres van de andere computer. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
   Tracing route to <IP address> over a maximum of 30 hops:

     1   <10 ms   <10 ms   <10 ms  <###.###.###.###>
     2    50 ms    50 ms    51 ms  <###.###.###.###>
     3   250 ms    80 ms    50 ms  <###.###.###.###>

   Trace complete.
Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van telkens een andere router.

Als er een probleem is met een van de routers die wordt gepasseerd door het netwerkpakket, verschijnt een bericht met de volgende inhoud:
   Tracing route to <IP address> over a maximum of 30 hops:

     1   <10 ms   <10 ms   <10 ms  <###.###.###.###>
     2     *        *        *     Request timed out.
     3     *        *        *     Request timed out.
     4     *        *        *     Request timed out.
Als een van de routers tussen uw computer en de andere computer niet correct is geconfigureerd, verschijnt een bericht met de volgende inhoud:
   Tracing route to <IP address> over a maximum of 30 hops:

     1   <10 ms   <10 ms   <10 ms  <###.###.###.###>
     2    50 ms    50 ms    51 ms  <###.###.###.###>
     3  <###.###.###.###>  reports: Destination net unreachable.
Een dergelijk bericht kan ook worden weergegeven als er een proxy of firewall is ingesteld tussen uw computer en de andere computer.

Als de route tussen beide computers niet juist kan worden weergegeven door de opdracht TRACERT, controleert u met de netwerkbeheerder of er sprake is van een routeringsprobleem tussen beide computers.

In het volgende artikel in de Microsoft Knowledge Base vindt u meer informatie over de opdracht TRACERT:
  • 162326 Using TRACERT to Troubleshoot TCP/IP Problems in Windows NT

De serverservices op de andere computer controleren

Controleer of de juiste serverservices op de andere computer worden uitgevoerd. Als u bijvoorbeeld verbinding wilt maken met de andere computer via het hulpprogramma Telnet, gaat u na of de andere computer is geconfigureerd als een Telnet-server.

Als u wilt controleren of de juiste serverservice wordt uitgevoerd op de andere computer, moet u eerst verbinding maken met de andere computer vanaf een computer die zich in hetzelfde subnet bevindt als de andere computer. Als u geen verbinding kunt maken met de andere computer vanaf een computer in hetzelfde subnet, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om na te gaan of de serverservice op de andere computer is ingesteld en of deze service correct functioneert. Kunt u de andere computer wel bereiken vanaf een computer in hetzelfde subnet, dan neemt u contact op met de netwerkbeheerder om eventuele problemen met de routering in het netwerk op te lossen.

De IP-beveiliging op de server controleren

De poortinstellingen voor de services op de andere computer zijn mogelijk anders dan de poortinstellingen waarmee u verbinding wilt maken. In de volgende tabel vindt u een aantal standaardpoortinstellingen voor verschillende protocollen:
Poort:   Protocol:
-----   ---------
80      HTTP
21      FTP
23      Telnet
70      Gopher
Met het hulpprogramma Telnet kunt u controleren of de poort waarmee u verbinding wilt maken inderdaad is geconfigureerd om verbindingen toe te staan. Hiertoe typt u de volgende regel bij een opdrachtprompt:
  • telnet <IP-adres> <poort>
Hierbij staat <IP-adres> voor het IP-adres van de andere computer en <poort> voor de poort waarmee u verbinding wilt maken. Als u bijvoorbeeld een FTP-verbinding wilt met de andere computer via poort 21, typt u telnet <IP-adres> 21 .

Als u geen foutbericht ontvangt, is de andere computer zo geconfigureerd dat u verbinding kunt maken via de desbetreffende poort. Hierna kunt u met de juiste service verbinding maken via de poort.

Ontvangt u wel een foutbericht, dan is de andere computer mogelijk niet geconfigureerd voor verbinding via de desbetreffende poort. Neem contact op met de netwerkbeheerder om een geldig poortnummer te krijgen voor de service op de andere computer.

Kan geen verbinding maken met een specifieke host of NetBIOS-naam

Als u wel verbinding kunt maken via het IP-adres maar niet via de host of NetBIOS-naam van de andere computer, heeft het probleem waarschijnlijk te maken met naamomzetting. Er zijn heel veel manieren om problemen met naamomzetting in een netwerk op te lossen, waaronder de volgende:
  • HOSTS-bestanden

  • DNS (Domain Name Service)

  • LMHOSTS-bestanden

  • WINS (Windows Internet Name Service)
Als u niet weet welke methoden worden gebruikt om problemen met naamomzetting in uw netwerk op te lossen, neemt u contact op met de netwerkbeheerder. Volg de procedures in de onderstaande secties in de aangegeven volgorde. Nadat u een procedure hebt voltooid, probeert u nogmaals verbinding te maken met de computer via de hostnaam of NetBIOS-naam.

Het HOSTS-bestand controleren

Het HOSTS-bestand is een tekstbestand dat u in een willekeurige teksteditor (bijvoorbeeld Kladblok) kunt bewerken. Als uw netwerk HOSTS-bestanden gebruikt om hostnamen om te zetten en u kunt geen verbinding maken met de andere computer via de hostnaam, kan dit worden veroorzaakt door een ongeldige vermelding in uw HOSTS-bestand. Zoek in uw HOSTS-bestand naar de hostnaam van de andere computer, controleer of er slechts één vermelding per hostnaam is en controleer vervolgens of de vermelding voor de hostnaam van de andere computer geldig is.

Voor meer informatie over het HOSTS-bestand kunt u het voorbeeldbestand HOSTS bekijken in de map %Systeemhoofdmap%\System32\Drivers\etc.

De DNS-configuratie (Domain Name Service) controleren

Een DNS-server biedt functionaliteit voor het omzetten van hostnamen. Als uw netwerk DNS gebruikt om hostnamen om te zetten en u kunt geen verbinding maken met de andere computer via de hostnaam, kan dit worden veroorzaakt door een probleem met de DNS-configuratie van uw computer of met de DNS-server in uw netwerk.

U kunt als volgt bepalen of het probleem wordt veroorzaakt door de DNS-configuratie van uw computer:
  1. Typ ipconfig /all bij een opdrachtprompt om het IP-adres van uw DNS-server weer te geven. Als het IP-adres van de DNS-server niet wordt weergegeven, vraagt u het aan de netwerkbeheerder.
  2. Gebruik de opdracht PING voor het IP-adres van de DNS-server om te zien of u met de server kunt communiceren. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
          Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
    
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=77ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=80ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=78ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=79ms TTL=28
    Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van de DNS-server.
Als het niet lukt om het IP-adres van de DNS-server te pingen, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om na te gaan of u het juiste IP-adres gebruikt. Verder controleert u of uw DNS-server is verbonden met het netwerk en of de server goed functioneert.

Als u het IP-adres van de DNS-server wel kunt bereiken maar de hostnaam van de andere computer niet kunt omzetten, is het mogelijk dat de DNS-server een probleem heeft bij het omzetten van hostnamen. Zijn er meerdere DNS-servers beschikbaar in uw netwerk, dan kunt u de computer zo configureren dat er een andere DNS-server wordt gebruikt. Als u geen andere DNS-server kunt gebruiken of als de hostnaam van de andere computer wel correct wordt omgezet door de andere DNS-server, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om het probleem met de oorspronkelijke DNS-server op te lossen.

Nadat u het juiste IP-adres voor uw DNS-server hebt geverifieerd, werkt u de TCP/IP-instellingen van de computer bij. Als u via een inbelverbinding bent verbonden met het netwerk, hoeft u alleen de TCP/IP-instellingen in de telefoonlijstvermelding van Externe toegang te veranderen, zodat het juiste IP-adres van uw DNS-server wordt gebruikt.

Als u het IP-adres van uw DNS-server wilt wijzigen of een geldig adres wilt toevoegen aan de TCP/IP-instellingen van uw computer, gaat u als volgt te werk:
  1. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Protocollen.
  2. Klik op het TCP/IP-protocol om het te selecteren. Klik op Eigenschappen en vervolgens op het tabblad DNS.
  3. Als u een DNS-server wilt toevoegen, klikt u op Toevoegen. Als u een bestaande server wilt bewerken, klikt u eerst op het IP-adres van de desbetreffende DNS-server en vervolgens op Bewerken.
  4. Typ het juiste IP-adres voor de DNS-server en klik vervolgens op OK.
  5. Klik op OK en vervolgens nogmaals op OK. Waarschijnlijk moet u de computer na deze stap opnieuw opstarten.
Als u het IP-adres van uw DNS-server wilt wijzigen of een geldig adres wilt toevoegen aan een telefoonlijstvermelding van Externe toegang, gaat u als volgt te werk:
  1. Klik in Externe toegang op de gewenste vermelding in het vak Te kiezen nummer uit telefoonlijst.
  2. Klik op Meer en vervolgens op Vermelding en modemeigenschappen bewerken.
  3. Klik op het tabblad Server en vervolgens op de knop TCP/IP-instellingen.
  4. Klik op Adressen van naamservers opgeven en typ vervolgens het juiste IP-adres in het vak Primaire DNS.

Het LMHOSTS-bestand controleren

Het LMHOSTS-bestand is een tekstbestand dat u in een willekeurige teksteditor (bijvoorbeeld Kladblok) kunt bewerken. Als uw netwerk LMHOSTS-bestanden gebruikt om NetBIOS-namen om te zetten en u kunt geen verbinding maken met de andere computer via de NetBIOS-naam, kan dit worden veroorzaakt door een ongeldige vermelding in uw LMHOSTS-bestand. Zoek in uw LMHOSTS-bestand naar de NetBIOS-naam van de andere computer, controleer of er slechts één vermelding per NetBIOS-naam is en controleer vervolgens of de vermelding voor de NetBIOS-naam van de andere computer juist is.

Als er #INCLUDE-vermeldingen of tekstblokken met #BEGIN_ALTERNATE en #END_ALTERNATE voorkomen in het LMHOSTS-bestand, schakelt u deze regels en vermeldingen tijdelijk uit door een hekje (#) en een spatie te plaatsen aan het begin van de desbetreffende regels.

Is het probleem verholpen door het uitschakelen van deze vermeldingen en regels, dan schakelt u de regels een voor een weer in, totdat het probleem weer optreedt. Wanneer u de regel of het tekstblok hebt gevonden waardoor het probleem wordt veroorzaakt, controleert u de LMHOSTS-bestanden waarnaar de regels verwijzen.

Voor meer informatie over het LMHOSTS-bestand kunt u het voorbeeldbestand LMHOSTS.SAM bekijken in de map %Systeemhoofdmap%\System32\Drivers\etc.

De WINS-configuratie (Windows Internet Name Service) controleren

Een WINS-server biedt functionaliteit voor het omzetten van NetBIOS-namen. Als uw netwerk WINS gebruikt om NetBIOS-namen om te zetten en u kunt geen verbinding maken met de andere computer via de NetBIOS-naam, kan dit worden veroorzaakt door een probleem met de WINS-configuratie van uw computer of met de WINS-server in uw netwerk.

U kunt als volgt bepalen of het probleem wordt veroorzaakt door de WINS-configuratie van uw computer:
  1. Typ ipconfig /all bij een opdrachtprompt om het IP-adres van uw WINS-server weer te geven. Als het IP-adres van de WINS-server niet wordt weergegeven, vraagt u het aan de netwerkbeheerder.
  2. Gebruik de opdracht PING voor het IP-adres van de WINS-server om te zien of u met de server kunt communiceren. Het bericht dat u ontvangt, ziet er ongeveer zo uit:
          Pinging <###.###.###.###> with 32 bytes of data:
    
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=77ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=80ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=78ms TTL=28
          Reply from <###.###.###.###>: bytes=32 time=79ms TTL=28
    Hierbij staat <###.###.###.###> voor het IP-adres van de WINS-server.
Als het niet lukt om het IP-adres van de WINS-server te pingen, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om na te gaan of u het juiste IP-adres gebruikt. Verder controleert u of uw WINS-server is verbonden met het netwerk en of de server goed functioneert.

Als u het IP-adres van de WINS-server wel kunt bereiken maar de NetBIOS-naam van de andere computer niet kunt omzetten, is het mogelijk dat de WINS-server een probleem heeft bij het omzetten van NetBIOS-namen. Zijn er meerdere WINS-servers beschikbaar in uw netwerk, dan kunt u de computer zo configureren dat er een andere WINS-server wordt gebruikt. Als u geen andere WINS-server kunt gebruiken of als de NetBIOS-naam van de andere computer wel correct wordt omgezet door de andere WINS-server, neemt u contact op met de netwerkbeheerder om het probleem met de oorspronkelijke WINS-server op te lossen.

Nadat u het juiste IP-adres voor uw WINS-server hebt geverifieerd, werkt u de TCP/IP-instellingen van de computer bij. Als u via een inbelverbinding bent verbonden met het netwerk, hoeft u alleen de TCP/IP-instellingen in de telefoonlijstvermelding van Externe toegang te veranderen, zodat het juiste IP-adres van uw WINS-server wordt gebruikt.

Als u het IP-adres van uw WINS-server wilt wijzigen of een geldig adres wilt toevoegen aan de TCP/IP-instellingen van uw computer, gaat u als volgt te werk:
  1. Dubbelklik in het Configuratiescherm op Netwerk en klik op het tabblad Protocollen.
  2. Klik op het TCP/IP-protocol om het te selecteren. Klik op Eigenschappen en vervolgens op het tabblad WINS-adres.
  3. Typ het juiste IP-adres voor de WINS-server in het vak Primaire WINS-server en klik vervolgens op OK.
  4. Klik op Sluiten en vervolgens op Ja om de computer opnieuw op te starten.
Als u het IP-adres van uw WINS-server wilt wijzigen of een geldig adres wilt toevoegen aan een telefoonlijstvermelding van Externe toegang, gaat u als volgt te werk:
  1. Klik in Externe toegang op de gewenste vermelding in het vak Te kiezen nummer uit telefoonlijst.
  2. Klik op Meer en vervolgens op Vermelding en modemeigenschappen bewerken.
  3. Klik op het tabblad Server en vervolgens op de knop TCP/IP-instellingen.
  4. Klik op Adressen van naamservers opgeven en typ vervolgens het juiste IP-adres in het vak Primaire WINS.

Eigenschappen

Artikel ID: 169790 - Laatste beoordeling: zondag 15 mei 2011 - Wijziging: 3.0
De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Windows® 2000 Server
  • Microsoft Windows 2000 Advanced Server
  • Microsoft Windows 2000 Professional Edition
  • Microsoft Windows NT Workstation 4.0 Developer Edition
  • Microsoft Windows NT Server 4.0 Standard Edition
  • Microsoft Windows 95
Trefwoorden: 
kbhowto kbnetwork KB169790

Geef ons feedback

 

Contact us for more help

Contact us for more help
Connect with Answer Desk for expert help.
Get more support from smallbusiness.support.microsoft.com