Select the product you need help with
Beschrijving van de herstelconsole van Windows 2000Artikel ID: 229716 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is. Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL229716 Klik op 314058
(http://support.microsoft.com/kb/314058/
)
voor een Microsoft Windows XP-versie van dit artikel.
Op deze paginaSamenvatting
In dit artikel worden de kenmerken en beperkingen van de herstelconsole van Windows beschreven. De herstelconsole is bedoeld om u te ondersteunen wanneer uw Windows-computer niet of niet juist wordt gestart.
Meer informatie
Met de herstelconsole van Windows hebt u beperkte toegang tot de NTFS-, FAT- en FAT32-volumes zonder de grafische interface van Windows te starten. In de herstelconsole kunt u:
De herstelconsole startenGebruik een van de volgende methoden om de herstelconsole te starten:
De opdrachtenconsole gebruikenNadat u de herstelconsole van Windows hebt gestart, wordt het volgende bericht weergegeven:
Windows NT(TM) Boot Console Command Interpreter.
Nadat u het nummer voor de juiste Windows-installatie hebt ingevoerd, voert u het wachtwoord voor de beheerdersaccount in. Als u driemaal een ongeldig wachtwoord opgeeft, wordt de herstelconsole afgesloten. Als de SAM-database ontbreekt of beschadigd is, kunt u de herstelconsole niet gebruiken, omdat de aanmelding niet kan worden geverifieerd. Nadat u het wachtwoord hebt opgegeven en de herstelconsole hebt gestart, typt u exit om de computer opnieuw op te starten.
Waarschuwing This is a limited function command prompt intended only as a system recovery utility for advanced users. Using this utility incorrectly can cause serious system-wide problems that may require you to reinstall Windows to correct them. Type 'exit' to leave the command prompt and reboot the system. 1: C:\WINNT Which Windows NT installation would you like to logon to (enter to abort)? Beperkingen van de opdrachtenconsoleVanuit de herstelconsole hebt u uitsluitend toegang tot de volgende mappen:
Beschikbare opdrachtenHELPDe opdracht help geeft een overzicht van de volgende ondersteunde opdrachten:attrib delete fixboot md type cd dir fixmbr mkdir systemroot chdir disable format more chkdsk diskpart help rd cls enable listsvc ren copy exit logon rename del expand map rmdir ATTRIBMet de opdracht attrib kunt u met behulp van de volgende parameters de kenmerken van een bestand of map wijzigen:
-R Opmerking Ten minste één kenmerk moet worden ingesteld of uitgeschakeld. Als u de kenmerken wilt bekijken, gebruikt u de opdracht dir.
+R -S +S -H +H + Stelt een kenmerk in. - Schakelt een kenmerk uit. R Kenmerk Alleen-lezen-bestand. S Kenmerk Systeembestand. H Kenmerk Verborgen bestand. CD en CHDIRGebruik de opdrachten cd en chdir om naar een andere map te gaan. Als u cd .. typt, geeft u op dat u naar de bovenliggende map wilt gaan. Typ cd station: om de huidige map van het opgegeven station weer te geven. Typ cd zonder parameters om het huidige station en de huidige map weer te geven. De opdracht chdir behandelt spaties als scheidingstekens. U moet daarom een submapnaam waarin zich spaties bevinden, tussen dubbele aanhalingstekens plaatsen. Bijvoorbeeld:cd "\winnt\profiles\gebruikersnaam\programma's\menu start"
De opdracht chdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.
CHKDSKchkdsk station /p /r
Met deze opdracht controleert u het station en repareert of herstelt u het station indien nodig (station geeft het te controleren station aan). De opdracht markeert bovendien beschadigde sectoren en herstelt leesbare informatie.Met de schakeloptie /p geeft u CHKDSK de opdracht een alomvattende controle van het station uit te voeren, zelfs als voor het station geen problemen worden aangegeven, en worden alle aangetroffen fouten gecorrigeerd. Met de schakeloptie /r worden beschadigde sectoren opgespoord en wordt leesbare informatie hersteld. Als u de schakeloptie /r gebruikt, wordt ook de schakeloptie /p geïmpliceerd. De opdracht chkdsk kan zonder argumenten worden opgegeven. In dat geval wordt het huidige station geïmpliceerd zonder schakelopties. Optioneel worden de vermelde schakelopties geaccepteerd. De opdracht chkdsk heeft het bestand Autochk.exe nodig. Chkdsk zoekt dit bestand automatisch in de opstartmap. Dit is doorgaans de map Cmdcons als de opdrachtenconsole vooraf werd geïnstalleerd. Als het bestand niet wordt aangetroffen in de opstartmap, zoekt Chkdsk naar het bestand op de installatiemedia voor Windows. Als de installatiemedia niet worden aangetroffen, wordt u gevraagd de locatie van het bestand Autochk.exe op te geven. CLSMet deze opdracht maakt u het scherm leeg.COPYcopy brondoel
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt kopiëren (bron geeft het bestand aan dat moet worden gekopieerd en doel geeft de map- of bestandsnaam voor het nieuwe bestand aan). Het gebruik van jokertekens of het kopiëren van mappen is niet toegestaan. Een gecomprimeerd bestand op de Windows-cd-rom wordt automatisch uitgepakt terwijl het wordt gekopieerd.Als doel niet wordt opgegeven, wordt standaard de actieve map gebruikt. Als het bestand al aanwezig is, wordt gevraagd of u het bestand wilt overschrijven. DEL en DELETEdel station: padbestandsnaam delete station: padbestandsnaam
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt verwijderen (station: pad bestandsnaam geeft het te verwijderen bestand aan). De opdracht delete werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen. Bij de opdracht delete kunnen geen jokertekens (*) worden gebruikt.
DIRdir station: padbestandsnaam
Gebruik deze opdracht als u een lijst wilt weergeven met bestanden en submappen in een map (station: pad bestandsnaam geeft het station, de map en de bestanden aan die moeten worden weergegeven). Met de opdracht dir wordt een overzicht gegeven van alle bestanden, met inbegrip van verborgen bestanden en systeembestanden. Bestanden kunnen de volgende kenmerken hebben:
D - Directory R ? Alleen-lezen-bestand H ? Verborgen bestand A ? Bestanden gereed om te worden gearchiveerd S - Systeembestand C - Gecomprimeerd E - Gecodeerd P ? Reparse-punt DISABLEdisable servicenaam
Gebruik deze opdracht als u een systeemservice of stuurprogramma van Windows wilt uitschakelen (servicenaam geeft de naam aan van de service die of het stuurprogramma dat moet worden uitgeschakeld).Gebruik de opdracht listsvc om alle services of stuurprogramma's weer te geven die kunnen worden uitgeschakeld. De opdracht disable laat het oude starttype van de service zien voordat het op SERVICE_DISABLED wordt ingesteld. Noteer het oude starttype voor het geval het nodig is om de service opnieuw in te schakelen. De opdracht disable geeft de volgende waarden voor het starttype weer:
SERVICE_DISABLED SERVICE_BOOT_START SERVICE_SYSTEM_START SERVICE_AUTO_START SERVICE_DEMAND_START DISKPARTdiskpart /add /delete apparaatnaamstationsnaampartitienaamgrootte
Gebruik de opdracht diskpart om de partities op de vaste-schijfvolumes te beheren.
Waarschuwing Deze opdracht kan uw partitietabel beschadigen als de schijf is bijgewerkt tot een dynamische-schijfconfiguratie. Wijzig de structuur van dynamische schijven uitsluitend met behulp van het hulpprogramma Schijfbeheer. ENABLEenable servicenaamstarttypeMet de opdracht enable kunt u een Windows-systeemservice of -stuurprogramma inschakelen (servicenaam is de naam van de service die of het stuurprogramma dat moet worden ingeschakeld). Gebruik de opdracht listsvc om alle services of stuurprogramma's weer te geven die kunnen worden ingeschakeld. De opdracht enable laat het oude starttype van de service zien voordat de nieuwe waarde wordt ingesteld. Noteer het oude starttype voor het geval het nodig is om het starttype van de service te herstellen. Geldige waarden voor starttype zijn:
SERVICE_BOOT_START Opmerking Als u geen nieuw starttype opgeeft, wordt met de opdracht enable het oude starttype weergegeven.
SERVICE_SYSTEM_START SERVICE_AUTO_START SERVICE_DEMAND_START EXITGebruik de opdracht exit om de opdrachtenconsole af te sluiten en de computer opnieuw op te starten.EXPANDexpand bron [/F:bestandsspec] [doel] [/y] expand bron [/F:bestandsspec] /D
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt uitbreiden (bron geeft het bestand aan dat moet worden uitgebreid en doel geeft de map voor het nieuwe bestand aan).Opmerking Bij deze opdracht kunnen geen jokertekens worden gebruikt. Als doel niet wordt opgegeven, wordt standaard de actieve map gebruikt. opties:
Met expand wordt u gevraagd of het doelbestand al bestaat, tenzij u /y gebruikt. FIXBOOTfixboot stationsnaam:
Gebruik deze opdracht als u de nieuwe Windows-opstartsectorcode naar de opstartpartitie wilt schrijven (stationsnaam is de aanduiding van het station waarnaar de opstartsector wordt geschreven). Hierdoor worden problemen opgelost als de opstartsector van Windows beschadigd is. De herstelprocedure herstelt tevens de opstartsector. Dit heeft voorrang boven de standaardinstelling, waarbij naar de systeemopstartpartitie wordt geschreven.
FIXMBRfixmbr apparaatnaam
Gebruik deze opdracht als u de MBR (Master Boot Record) van de systeempartitie wilt herstellen (apparaatnaam is een optionele naam die het apparaat aangeeft dat een nieuwe MBR moet krijgen). Deze opdracht wordt gebruikt in scenario's waar de MBR is beschadigd door een virus en Windows niet kan worden gestart.Waarschuwing Met deze opdracht kunnen uw partitietabellen worden beschadigd als een virus aanwezig is of een hardwareprobleem is opgetreden. De opdracht kan niet-toegankelijke partities tot gevolg hebben. Microsoft raadt u aan antivirussoftware uit te voeren voordat u deze opdracht gebruikt. De naam kan worden opgehaald uit de resultaten van de opdracht map. Als dit argument wordt weggelaten, wordt de MBR van het opstartapparaat hersteld. Bijvoorbeeld: fixmbr \apparaat\vaste-schijf2
Als Fixmbr een ongeldige of niet-standaard partitietabelhandtekening detecteert, wordt uw toestemming gevraagd voordat de MBR opnieuw wordt geschreven.
FORMATformat station: /Q/FS:bestandssysteem
Gebruik deze opdracht als u het opgegeven station wilt formatteren met het opgegeven bestandssysteem (met /Q voert u een snelle formattering uit van het station, station is de stationsaanduiding van de te formatteren partitie en /FS:bestandssysteem geeft het te gebruiken type bestandssysteem op [FAT, FAT32 of NTFS]).Als geen bestandssysteem wordt opgegeven, wordt de bestaande bestandssysteemindeling gebruikt (indien beschikbaar). LISTSVCDe opdracht listsvc geeft een overzicht van alle beschikbare services, stuurprogramma's en bijbehorende starttypen voor de huidige Windows 2000-installatie. Deze opdracht kan nuttig zijn in combinatie met de opdrachten disable en enable.Opmerking Deze gegevens worden opgehaald uit het onderdeel %SystemRoot%\System32\Config\SYSTEM. Als het onderdeel SYSTEM beschadigd is of ontbreekt, kan dit onvoorspelbare resultaten tot gevolg hebben. LOGONlogon
De opdracht logon geeft een overzicht van alle gedetecteerde installaties van Windows en vraagt naar het lokale Administrator-wachtwoord voor de Windows-installatie waarbij u zich wilt aanmelden. Als meer dan drie aanmeldingspogingen mislukken, wordt de console afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart.
MAPmap arc
Gebruik deze opdracht als u een overzicht wilt weergeven van de stationsaanduidingen, bestandssysteemtypen, partitiegrootten en toewijzingen aan fysieke apparaten (met de parameter arc wordt hierbij aan de opdracht map doorgegeven dat ARC-paden in plaats van Windows Device-paden moeten worden gebruikt).
MD en MKDIRMet de opdrachten md of mkdir worden nieuwe mappen gemaakt. Jokertekens worden niet ondersteund. De opdracht mkdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.MOREmore bestandsnaam
Met de opdracht MORE kunt u een tekstbestand weergeven op het scherm.
RD en RMDIRMet de opdrachten rd en rmdir verwijdert u een map. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.REN en RENAMEMet de opdrachten ren en rename kunt u de naam van een bestand wijzigen. U kunt geen nieuw station of pad voor het doelbestand opgeven. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.SETMet de opdracht set kunt u vier omgevingsopties weergeven of wijzigen.
AllowWildCards = FALSE AllowAllPaths = FALSE AllowRemovableMedia = FALSE NoCopyPrompt = FALSE
SYSTEMROOTDe opdracht systemroot stelt de huidige werkmap in op de map %SystemRoot% van de Windows-installatie waarbij u zich hebt aangemeld.TYPEtype bestandsnaam
Met de opdracht type geeft u een tekstbestand weer.
EigenschappenArtikel ID: 229716 - Laatste beoordeling: maandag 17 januari 2005 - Wijziging: 3.1 De informatie in dit artikel is van toepassing op:
| Vertaalde artikelen
|


Naar boven








