Een Windows-installatie verplaatsen naar andere hardware

Vertaalde artikelen Vertaalde artikelen
Artikel ID: 249694 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is.
Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL249694
Alles uitklappen | Alles samenvouwen

Op deze pagina

Inleiding

Tijdens de levenscyclus van een Microsoft Windows-besturingssysteem kan het nodig zijn om een back-up van de systeemstatus die op een computer is geïnstalleerd, te herstellen op dezelfde fysieke computer of zelfs op een andere computer. Het herstellen van de volgende gebeurtenissen kan een herstelbewerking vereisen:
  • hardwarefout
  • softwarefout
  • computerdiefstal
  • natuurlijke noodgevallen
  • gebruikersfouten
U kunt een back-up van de systeemstatus van een computer herstellen op dezelfde fysieke computer of op een andere computer van dezelfde makelij, hetzelfde model en dezelfde configuratie (identieke hardware).

Microsoft biedt geen ondersteuning voor het herstellen van een back-up van de systeemstatus van een computer naar een andere computer als de andere computer niet van dezelfde makelij is en niet hetzelfde model en dezelfde hardwareconfiguratie heeft. Microsoft biedt alleen ondersteuning van dit proces voor zover dat commercieel redelijk is. Zelfs als de bron- en doelcomputer van dezelfde makelij en hetzelfde model blijken te zijn, kunnen er tussen de computers verschillen bestaan in stuurprogramma's, hardware of firmware.

In dit artikel wordt beschreven hoe u een back-up van de systeemstatus kunt maken op een computer en deze kunt terugzetten op dezelfde computer of op een andere fysieke computer van dezelfde makelij en hetzelfde model. Als u de procedures in dit artikel niet uitvoert, heeft dit gevolgen voor de kans op slagen wanneer u de back-up terugzet op andere hardware.

Voor het herstellen van Microsoft Windows Server 2003-computers en Microsoft Windows XP-computers wordt het gebruik van de functie Automatisch systeemherstel (ASR) aangeraden als herstelmethode. ASR automatiseert de volledige herstelprocedure. Dit biedt het meest betrouwbare resultaat.

De broncomputer is de computer die werd gebruikt om de back-up van de systeemstatus te maken. De doelcomputer is de computer waarop de back-up wordt teruggezet.

Meer informatie

Voor het slagen van de herstelbewerking moeten de volgende richtlijnen worden gehanteerd.

HAL (Hardware Abstraction Layer)

De bron- en doelcomputer moeten hetzelfde type HAL gebruiken. Er is één uitzondering op deze regel. Als een van de computers de ACPI multiprocessor (Advanced Configuration and Power Interface) HAL bevat, kan de andere computer de ACPI-uniprocessor HAL bevatten. Dezelfde regel geldt voor een MPS multiprocessor en MPS uniprocessor HAL.

Als de broncomputer bijvoorbeeld de MPS multiprocessor HAL gebruikt, kunt u gegevens terugzetten op een doelcomputer met de MPS uniprocessor HAL. U kunt echter geen gegevens terugzetten op een doelcomputer met de ACPI multiprocessor HAL.

Opmerking Als de HAL van de doelcomputer compatibel is met maar niet identiek is aan de HAL van de broncomputer, moet u eerst de HAL op de doelcomputer bijwerken nadat u het terugzetten hebt voltooid. Als de broncomputer bijvoorbeeld één processor heeft en de ACPI-uniprocessor HAL gebruikt, kunt u een back-up van deze computer terugzetten naar een multiprocessor-doelcomputer. De doelcomputer gebruikt echter niet meer dan één processor totdat u de HAL bijwerkt naar een ACPI multiprocessor HAL.

Als u wilt vaststellen welk type HAL op de computer wordt gebruikt, voert u de volgende stappen uit:
  1. Klik op Start, wijs Instellingen aan, klik op Configuratiescherm en klik op Systeem.
  2. Klik op Hardware, klik op Apparaatbeheer en vouw het onderdeel Computer uit.
    • ACPI multiprocessor-pc = Halmacpi.dll
    • ACPI uniprocessor-pc = Halmacpi.dll
    • Advanced Configuration and Power Interface (ACPI)-pc = Halacpi.dll
    • MPS Multiprocessor-pc = Halmps.dll
    • MPS uniprocessor-pc Halapic.dll standaardcomputer = Hal.dll
    • Compaq SystemPro Multiprocessor of 100% compatibel = Halsp.dll

Versie besturingssysteem

De bron- en doelcomputer moeten dezelfde versie besturingssysteem en dezelfde Windows SKU's (Stock-Keeping Units) hebben. U kunt bijvoorbeeld geen back-up van Microsoft Windows 2000 Server terugzetten op een computer met Windows 2000 Advanced Server. Bovendien moeten de bron- en doelcomputer beide een handelsversie van Windows of dezelfde OEM-versie van Windows gebruiken. Het beste zou zijn om Windows op de doelcomputer te installeren met behulp van dezelfde installatiemedia die werden gebruikt voor de installatie op de doelcomputer.

Filterstuurprogramma's

Verwijder filterstuurprogramma's van andere fabrikanten op de broncomputer voordat u de back-up uitvoert. Deze typen stuurprogramma's kunnen voor problemen zorgen wanneer de back-up op een andere computer wordt teruggezet.

Windows-map en schijfindeling

De doelcomputer moet dezelfde logische stationsaanduiding (%systemdrive%) en hetzelfde logische pad (%systemroot%) als de broncomputer gebruiken. Voor domeincontrollers moeten bovendien de locaties van de servicedatabase van Active Directory, de logbestanden van Active Directory, de FRS-database en de FRS-logboekbestanden hetzelfde zijn voor de bron- en doelcomputer. Als de logboekbestanden voor de Active Directory-database op de broncomputer bijvoorbeeld zijn geïnstalleerd op het pad C:\WINNT\NTDS, moet de doelcomputer ook het pad C:\WINNT\NTDS gebruiken.

Hardware

Als u hardware van de doelcomputer verwijdert die niet vereist is voor het voltooien van de herstelprocedure, verhoogt u de kans op een geslaagde herstelbewerking. U kunt bijvoorbeeld alle netwerkadapters op één na fysiek verwijderen of uitschakelen. Installeer de aanvullende adapters of schakel ze in nadat u het besturingssysteem opnieuw hebt opgestart na de herstelprocedure.

Hotfixes en servicepacks

Voor Windows 2000-computers moet hotfix 810161 of Windows 2000 Service Pack 4 zijn geïnstalleerd op de broncomputer voordat u een back-up van gegevens maakt. Deze items moeten tevens op de doelcomputer zijn geïnstalleerd voordat u de back-up terugzet. Voor een herstelbewerking van dit type onder Windows Server 2003 en Windows XP zijn er geen vereisten voor hotfixes of servicepacks.

De gebruiker hoeft de doelcomputer niet op hetzelfde servicepack- en hotfixniveau te brengen voor Windows Server 2003 of Windows XP. Als u echter een Windows 2003 SP1-computer wilt herstellen, moet u de doelcomputer herstellen naar Windows 2003 SP1. Als u dat niet doet, wordt het volgende foutbericht weergegeven:
Foutbericht dat verschijnt wanneer u een op Windows Server 2003 met servicepack 1 gebaseerde reservekopie terugzet op een Windows Server 2003-computer: Windows kan niet worden gestart vanwege een fout in de software
Voor meer informatie over het foutbericht dat wordt weergegeven wanneer u een op Windows Server 2003 met servicepack 1 gebaseerde reservekopie terugzet op een Windows Server 2003-computer, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
914049Foutbericht wanneer u een op Windows Server 2003 SP1 gebaseerde back-up herstelt op een Windows Server 2003-computer: 'Windows kan niet worden gestart vanwege een fout in de software'

Een Windows-client of -lidserverinstallatie verplaatsen

Voer de volgende stappen uit op client- en lidservercomputers om een back-up van de Windows-installatie te maken en deze terug te zetten op een andere computer. (Een lidserver is een server die geen domeincontroller is.)
  1. Meld u op de broncomputer aan als beheerder en stop alle niet-essentiële services die u gewoonlijk stopt voordat u een back-up maakt. Dit kunnen ook services zijn die een vergrendeling op bestanden plaatsen. Dit zijn onder meer antivirusservices, services voor schijfcontrole en indexing-services.
  2. Controleer op de broncomputer of de startwaarde voor TCP/IP is ingesteld op 1. Deze waarde bevindt zich in de volgende subsleutel in het register:
    HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\Tcpip
    Deze tabel samenvouwenDeze tabel uitklappen
    NaamStarten
    WaardetypeREG_DWORD
    Waardegegevens1
  3. Gebruik het hulpprogramma Back-up van Windows op de broncomputer om een back-up te maken van het systeemstation, de submappen van het systeemstation en de systeemstatus.
  4. Installeer een nieuwe versie van Windows op de doelcomputer. De besturingssysteemversie moet hetzelfde zijn als op de broncomputer. Installeer het besturingssysteem op hetzelfde station en hetzelfde pad als bij de broncomputer. Als Windows op de broncomputer is geïnstalleerd op het pad C:\WINNT, moet dit ook de locatie voor de installatie zijn op de doelcomputer.
  5. Nadat de nieuwe installatie is voltooid, meldt u zich op de doelcomputer aan als beheerder. Met Schijfbeheer kunt u stationsaanduidingen maken, opmaken en toewijzen aan extra volumes die nodig kunnen zijn als locatie voor systeemstatuscomponenten. Zorg ervoor dat alle stationsaanduidingen overeenkomen met die van de broncomputer. De schijfruimte voor volumes op de doelcomputer moet op zijn minst even groot zijn als de overeenkomstige volumes op de broncomputer.
  6. Maak een map C:\Backup op de doelcomputer. Plaats een kopie van het bestand C:\Boot.ini en van de gehele map %systemroot%\Repair (inclusief alle submappen) in de map C:\Backup voor gebruik in stap 8. Het bestand Boot.ini bevindt zich in de hoofdmap van de systeempartitie (doorgaans C:\Boot.ini). De map Repair bevindt zich meestal in de map C:\WINNT\Repair of de map C:\WINDOWS\Repair.
  7. Ga als volgt te werk als u de back-up wilt terugzetten op de doelcomputer:
    1. Klik op Start, klik op Uitvoeren, typ ntbackup en klik op OK.
    2. Klik op Opties in het menu Extra, open het tabblad Herstellen en klik op Het bestand op de computer altijd vervangen.
    3. Zet de systeemstatus terug aan de hand van de back-up die u eerder hebt uitgevoerd. Zorg ervoor dat u de optie selecteert waarbij de bestanden op de oorspronkelijke locatie worden teruggezet.

      Opmerking Als u toegang wilt tot alle verwisselbare media (tape of magneto-optische schijf) van de broncomputer nadat de herstelbewerking is voltooid, klikt u tevens op de optie Database van Verwisselbare opslag terugzetten onder Geavanceerd voordat u begint met het terugzetten van de bestanden.
  8. Nadat de herstelbewerking is voltooid maar voordat u de doelcomputer opnieuw opstart, voert u de volgende stappen uit:
    1. Kopieer het bestand Boot.ini uit de map C:\Backup die u in stap 6 hebt gemaakt. Kopieer de map Repair en de bijbehorende submappen uit de map C:\Backup naar de map %systemroot%\Repair.
    2. Installeer de stuurprogramma's van de vaste-schijfcontrollers opnieuw op de doelcomputer als stuurprogramma's van andere fabrikanten worden gebruikt.
    3. Controleer of de broncomputer is uitgeschakeld, de verbinding met het netwerk is verbroken of de broncomputer opnieuw is geïnstalleerd met een andere computernaam en ander IP-adres. (Als de broncomputer een statisch IP-adres had, heeft de doelcomputer ditzelfde statische IP-adres na het terugzetten van de bestanden.)
  9. Start de computer opnieuw op en controleer of de computer naar behoren werkt.

    Als de herstelde computer een lidcomputer of lidserver was, test u het beveiligingskanaal aan de hand van de opdracht NLTEST:
    NLTEST /SC_QUERY:<Domeinnaam>
    Als SC_QUERY een foutsituatie meldt, herstelt u het beveiligingskanaal met de volgende opdracht:
    NLTEST /SC_RESET:<Domeinnaam>
    Als de doelcomputer een lidcomputer of lidserver is, moet het beveiligingskanaal van de computer wellicht worden ingesteld op het domein, afhankelijk van hoe recent de back-up werd uitgevoerd. Wanneer u de opdracht netdiag /test:trust uitvoert, mislukt de vertrouwensrelatietest voor het beveiligingskanaal als het beveiligingskanaal is verbroken. De opdracht netdiag is beschikbaar wanneer u de ondersteuningsprogramma's vanaf de installatiemedia voor Windows installeert.

    Als de vertrouwensrelatietest mislukt en een fout in het beveiligingskanaal aangeeft, kunt u het hulpprogramma Netdom op de doelcomputer uitvoeren om het kanaal opnieuw in te stellen. De opdracht Netdom is eveneens beschikbaar in de ondersteuningsprogramma's. Als u het beveiligingskanaal opnieuw wilt instellen, gebruikt u de volgende netdom-opdracht.
    netdom reset doelcomputer /domain:domeinnaam usero:beheerder /passwordo:beheerderswachtwoord

    Opmerking Doelcomputer is de doelcomputer, domeinnaam is de naam van het domein, beheerder is de gebruiker die lid is van de beheerdersgroep en beheerderswachtwoord is het wachtwoord van de gebruikersaccount.

De installatie van een Windows-domeincontroller verplaatsen

Waarschuwing De volgende procedure is bedoeld voor foutherstel of hardwarevervanging van één domein als er geen andere domeincontrollers beschikbaar zijn. Als er andere goed functionerende domeincontrollers online zijn voor het domein, wordt aangeraden om geen herstelbewerking uit te voeren. In plaats daarvan voert u een nieuwe installatie van Windows uit op de doelcomputer en voert u de installatiewizard voor Active Directory (Dcpromo.exe) uit om de installatie als replica in een bestaand domein te plaatsen.
  1. Meld u op de broncomputer aan als beheerder en stop alle niet-essentiële services die u gewoonlijk stopt voordat u een back-up maakt. Dit kunnen ook services zijn die een vergrendeling op bestanden plaatsen. Dit zijn onder meer antivirusservices, services voor schijfcontrole en indexing-services.
  2. Controleer op de broncomputer of de startwaarde voor TCP/IP is ingesteld op 1. Deze waarde bevindt zich in de volgende subsleutel in het register:
    HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Services\Tcpip
    Deze tabel samenvouwenDeze tabel uitklappen
    NaamStarten
    WaardetypeREG_DWORD
    Waardegegevens1
  3. Gebruik het hulpprogramma Back-up van Windows om een back-up te maken van het systeemstation en de systeemstatus. Als u werkt met Windows 2000 en Sysvol zich op een ander station dan het systeemstation bevindt, moet u ook een back-up maken van de map Sysvol en alle submappen. Als Sysvol zich bijvoorbeeld in de map D:\Sysvol bevindt, moet u een back-up maken van het systeemstation, de systeemstatus en de map D:\Sysvol.
  4. Installeer een nieuwe versie van Windows op de doelcomputer. De besturingssysteemversie moet hetzelfde zijn als die op de broncomputer. Zorg ervoor dat u Windows op dezelfde locatie installeert als op de broncomputer. Als Windows op de broncomputer is geïnstalleerd op het pad C:\WINNT, moet dit ook de locatie voor de installatie zijn op de doelcomputer.
  5. Nadat de nieuwe installatie is voltooid, meldt u zich op de doelcomputer aan als beheerder. Met Schijfbeheer kunt u stationsaanduidingen maken, opmaken en toewijzen aan extra volumes die wellicht nodig zijn als locatie voor systeemstatuscomponenten of toepassingen. Zorg ervoor dat alle stationsaanduidingen overeenkomen met die van de broncomputer.
  6. Maak een map C:\Backup op de doelcomputer. Plaats een kopie van het bestand Boot.ini in deze map, in de map %systemroot%\Repair en alle submappen van de map Repair. Het bestand Boot.ini bevindt zich in de basismap van de systeempartitie (doorgaans C:\Boot.ini). De map Repair bevindt zich meestal in de map C:\WINNT\Repair of de map C:\WINDOWS\Repair.

    Als de broncomputer de enige domeincontroller voor het domein is, installeert u Windows opnieuw op de broncomputer of verbreekt u de verbinding met het netwerk voordat u de back-up terugzet op de doelcomputer. Deze stappen worden aangeraden omdat het gemakkelijk kan gebeuren dat iemand de broncomputer weer inschakelt. Als de broncomputer weer wordt ingeschakeld, kunnen naamconflicten of andere problemen optreden op de doelcomputer.

    Als de broncomputer niet de enige domeincontroller voor het domein is, gebruikt u de installatiewizard voor Active Directory om Active Directory van de broncomputer te verwijderen. Vervolgens installeert u Windows opnieuw op de broncomputer of verbreekt u de verbinding met het netwerk.
  7. Wanneer u hebt vastgesteld dat de broncomputer en de herstelde doelcomputer niet tegelijkertijd online zijn, zet u de bestanden terug door de volgende stappen uit te voeren:
    1. Klik op Start, klik op Uitvoeren, typ ntbackup en klik op OK.
    2. Klik op Opties in het menu Extra, open het tabblad Herstellen en klik op Het bestand op de computer altijd vervangen.
    3. Zet de systeemstatus en het systeemstation terug aan de hand van de back-up die u eerder hebt uitgevoerd. Voor Windows 2000 moet u tevens handmatig de map Sysvol selecteren die moet worden teruggezet. De systeemstatus omvat Sysvol. In Windows 2000 treedt echter een probleem op waardoor de Sysvol-koppelingspunten niet correct kunnen worden teruggezet als u alleen de systeemstatus terugzet. Zorg ervoor dat u de optie selecteert waarmee de bestanden op de Oorspronkelijke locatie worden teruggezet.
  8. Nadat de herstelbewerking is voltooid maar voordat u de doelcomputer opnieuw opstart, voert u de volgende stappen uit:
    1. Vervang het bestand Boot.ini en de map %systemroot%\Repair waarin zich de kopieën bevinden die u in stap 6 hebt gemaakt.
    2. Installeer de stuurprogramma's voor de vaste-schijfcontrollers op de doelcomputer als stuurprogramma's van andere fabrikanten worden gebruikt.
    3. Controleer de TCP/IP-instellingen om vast te stellen of de computer is geconfigureerd voor gebruik van een DNS-server (Domain Name System) die gemachtigd is voor het domein en die op dat moment online is. Configureer de server niet om zichzelf als DNS te gebruiken, omdat de DNS-records in de back-up mogelijk niet meer geldig zijn. Wanneer de herstelbewerking is voltooid en u hebt vastgesteld dat de doelcomputer goed functioneert, kunt u de server configureren om zichzelf als DNS te gebruiken.
  9. Als de doelcomputer de eerste of de enige domeincontroller voor het domein wordt, voert u de volgende stappen uit om de FRS (File Replication Service) op basis van uw machtigingen te herstellen. U moet deze stap bovendien uitvoeren voordat u de eerste keer opnieuw opstart na het voltooien van de herstelbewerking.

    Waarschuwing Voer deze procedure niet uit als er bestaande domeincontrollers in het domein aanwezig zijn.
    1. Klik op Start, klik op Uitvoeren, typ regedit en druk op ENTER.
    2. Ga naar de volgende registersubsleutel:
      HKEY_LOCAL_MACHINE\System\CurrentControlSet\Services\NtFrs\Parameters\Replica Sets
    3. Vouw Replica Sets uit en zoek naar de subsleutel die verwijst naar de replicaset DOMAIN SYSTEM VOLUME (SYSVOL SHARE).
    4. Zoek vervolgens onder de subsleutel Cumulative Replica Sets naar de subsleutel die overeenkomt met de naam van de subsleutel in de vorige stap.
    5. Vouw Cumulative Replica Sets uit, klik op de subsleutel die staat voor de replicaset Sysvol en dubbelklik op BurFlags.
    6. Typ D4 in het dialoogvenster DWORD-waarde bewerken en klik op OK.
    7. Start de computer opnieuw op.
  10. Start de computer opnieuw op en voer de opdrachten dcdiag en netdiag uit om te controleren of de computer goed functioneert. Klik voor meer informatie over het gebruik van de opdracht dcdiag op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    265706Dcdiag en netdiag in Windows 2000 maken domeinlidmaatschap en het genereren van DC's eenvoudiger
    Als er bestaande domeincontrollers in het domein aanwezig zijn, moet u wellicht het beveiligingskanaal voor het domein opnieuw instellen, afhankelijk van hoe recent de back-up werd uitgevoerd. Als het beveiligingskanaal is verbroken, geeft de opdracht netdiag /test:trust aan dat de vertrouwensrelatietest niet is geslaagd. Als het resultaat van de vertrouwensrelatietest aangeeft dat de test werd overgeslagen, kunt u de resultaten zonder meer negeren. Dit resultaat duidt erop dat de computer waarop u de test uitvoert, de operations-masterrol van PDC-emulator vervult.

    Als de vertrouwensrelatietest mislukt, betekent dit een fout in het beveiligingskanaal. U kunt deze fout herstellen door de opdracht netdom op de doelcomputer uit te voeren om het beveiligingskanaal opnieuw in te stellen. Voer de volgende stappen uit om het beveiligingskanaal op een domeincontroller opnieuw in te stellen met de opdracht netdom:
    1. Beëindig de service Kerberos KDC (Key Distribution Center) en stel deze in op handmatig starten.
    2. Gebruik de volgende opdracht om het beveiligingskanaal opnieuw in te stellen:
      netdom resetpwd /server:replicatiepartner_servernaam /userd:domeinnaam\beheerder /password:beheerderswachtwoord
      Opmerkingreplicatiepartner_servernaam is de naam van de replicatiepartnerserver. Deze opdracht moet lokaal op de doelcomputer worden uitgevoerd.
    3. Start de computer opnieuw op, start de KDC en stel deze service weer in op automatisch starten.
  11. Controleer of de replicatie werkt als er bestaande domeincontrollers in het domein aanwezig zijn. Klik voor meer informatie over het controleren van replicatie op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    232072Replicatie initiëren tussen directe replicatiepartners in Active Directory

Probleemoplossing

Nadat u de doelcomputer opnieuw hebt opgestart, kunnen zich de volgende symptomen voordoen:
  • Een van de volgende Stop-fouten wordt weergegeven:
    • Stop 0x0000007B Inaccessible_Boot_Device
    • STOP: 0x00000079 Hal_Mismatch
  • De computer loopt vast tijdens het opstarten.
  • De computer start vanzelf opnieuw op wanneer het volgende bericht in een zwart scherm wordt weergegeven in een vroeg stadium van de opstartprocedure:
    Windows 2000 wordt opgestart
  • U kunt uw beeldscherminstellingen niet configureren.
  • De netwerkadapter werkt niet goed.
Als u de problemen met de beeldscherminstellingen of de netwerkadapter wilt oplossen, verwijdert u de beeldschermadapter of de netwerkadapter uit Apparaatbeheer en start u de computer opnieuw op. Windows neemt de apparaten opnieuw waar en vraagt u naar de stuurprogramma's.

Als u de Stop-fout of het probleem dat de computer vastloopt wilt oplossen, voert u een interne upgrade van Windows uit.
Voor meer informatie over het uitvoeren van een interne upgrade klikt u op de volgende artikelnummers in de Microsoft Knowledge Base:
292175Een in-place upgrade van Windows 2000 uitvoeren
816579Een in-place upgrade van Windows Server 2003 uitvoeren
315341Een in-place upgrade (herinstallatie) van Windows XP uitvoeren
Nadat u de interne upgrade hebt voltooid, voert u de volgende stappen uit om te controleren of de subsleutel
ClientProtocols
in het register aanwezig is en de juiste gegevens bevat:
  1. Klik op Start, klik op Uitvoeren, typ regedit en klik op OK.
  2. Klik met de rechtermuisknop op de volgende registersubsleutel. Controleer of de waarden uit de volgende lijst aanwezig zijn:
    HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Microsoft\Rpc\ClientProtocols
    Deze tabel samenvouwenDeze tabel uitklappen
    NaamTypeWaardegegevens
    ncacn_ip_tcpREG_SZrpcrt4.dll
    ncacn_ip_udpREG_SZrpcrt4.dll
    ncacn_nb_tcpREG_SZrpcrt4.dll
    ncacn_npREG_SZrpcrt4.dll
  3. Als de subsleutel
    ClientProtocols
    zelf ontbreekt, voegt u deze toe onder de subsleutel
    Rpc
    .
  4. Als waarden ontbreken in de subsleutel
    ClientProtocols
    , voert u de volgende stappen uit:
    1. Klik met de rechtermuisknop op ClientProtocols, wijs Nieuw aan en klik op Tekenreekswaarde.
    2. Typ de waardenaam van de ontbrekende vermelding en druk op ENTER.
    3. Klik met de rechtermuisknop op de waardenaam die u in stap b hebt ingevoerd en klik op Wijzigen.
    4. Typ de juiste waardegegevens voor de waardenaam die u in stap b hebt ingevoerd en klik op OK.
  5. Herhaal stap 4 voor elke ontbrekende waarde in de subsleutel
    ClientProtocols
    .
  6. Start de computer opnieuw op als er wijzigingen in het register zijn aangebracht.
Opmerking Als de broncomputer werd bijgewerkt vanaf Windows NT 4.0, worden de gebruikersprofielen wellicht opgeslagen in de map %systemroot%\Profiles in plaats van de map %systemdrive%\Documents and Settings. Nadat u een interne upgrade hebt uitgevoerd, moet u wellicht de volgende registerwaarde terugzetten op %systemroot%\Profiles.

HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Microsoft\Windows NT\CurrentVersion\ProfileList
Deze tabel samenvouwenDeze tabel uitklappen
NaamProfiles directory
WaardetypeREG_EXPAND_SZ
Waardegegevens%systemroot%\Profiles
Voor meer informatie over gebruikersprofielen klikt u op de volgende artikelnummers in de Microsoft Knowledge Base:
214653Het pad voor het profiel Alle gebruikers instellen
228445Opslag van gebruikersprofielen in Windows 2000
Microsoft verstrekt deze contactinformatie om u te helpen bij het aanvragen van technische ondersteuning. Deze contactinformatie kan zonder aankondiging worden gewijzigd. Microsoft kan derhalve niet instaan voor de juistheid van deze contactinformatie.

Eigenschappen

Artikel ID: 249694 - Laatste beoordeling: dinsdag 16 juli 2013 - Wijziging: 14.5
De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Windows Server 2003, Enterprise Edition (32-bit x86)
  • Microsoft Windows Server 2003, Standard Edition (32-bit x86)
  • Microsoft Windows Server 2003, Web Edition
  • Microsoft Windows XP Professional x64 Edition
  • Microsoft Windows XP Professional
  • Microsoft Windows XP Home Edition
  • Microsoft Windows 2000 Advanced Server
  • Microsoft Windows 2000 Professional Edition
  • Microsoft Windows® 2000 Server
Trefwoorden: 
kbproductlink kbenv kbhowto KB249694

Geef ons feedback

 

Contact us for more help

Contact us for more help
Connect with Answer Desk for expert help.
Get more support from smallbusiness.support.microsoft.com