Procedure: opties voor systeemfouten en systeemherstel configureren in Windows

Vertaalde artikelen Vertaalde artikelen
Artikel ID: 307973 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is.
Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL307973
Alles uitklappen | Alles samenvouwen

Op deze pagina

Samenvatting

U kunt de acties configureren die door Windows worden ondernomen wanneer er een systeemfout optreedt (ook wel aangeduid als foutencontrole, systeemstoring, onherstelbare systeemfout of stopfout). U kunt de volgende acties configureren:
  • Een gebeurtenis in het systeemlogboek vastleggen.
  • Beheerders waarschuwen (als u beheerderssignalen hebt ingesteld).
  • Systeemgeheugen vastleggen in een bestand dat gevorderde gebruikers kunnen gebruiken voor foutopsporing.
  • De computer automatisch opnieuw opstarten.
U moet zijn aangemeld als beheerder of als lid van de groep Administrators om deze procedure uit te voeren. Als uw computer is verbonden met een netwerk, kunnen bepaalde netwerkbeleidsinstellingen de uitvoering van deze procedure verhinderen.

Meer informatie

Opties voor systeemfouten en systeemherstel configureren

U kunt het onderdeel Systeem van het Configuratiescherm gebruiken om opties voor systeemfouten en systeemherstel te configureren. IT-professionals kunnen instellingen voor systeemfouten en systeemherstel ook wijzigen op lokale of externe computers door de waarden in de volgende registersleutel te wijzigen:
HKEY_LOCAL_MACHINE\SYSTEM\CurrentControlSet\Control\CrashControl
In de volgende procedure wordt voor iedere optie de registerwaarde gegeven met een voorbeeldopdrachtregel om de optie op uw lokale computer te wijzigen. U gebruikt daarvoor het opdrachtregelprogramma Wmic.exe om WMI (Windows Management Instrumentation) te openen. Zie de sectie Extra informatie voor IT-professionals van dit artikel voor meer informatie. Ga als volgt te werk om opties voor systeemfouten en systeemherstel te configureren:
  1. Klik met de rechtermuisknop op Deze computer en klik op Eigenschappen.
  2. Open het tabblad Geavanceerd en klik onder Opstart- en herstelinstellingen op Instellingen (of op Opstart- en herstelinstellingen).
  3. Onder Systeemfouten schakelt u de selectievakjes in voor de acties die door Windows moeten worden uitgevoerd als zich een systeemfout voordoet:
    • Met de optie Een gebeurtenis in het systeemlogboek vastleggen geeft u op dat gebeurtenisinformatie in het systeemlogboek wordt vastgelegd. Deze optie is standaard ingeschakeld. Op computers met Windows 2000 Server- of Windows Server 2003-besturingssystemen kunt u deze functie niet uitschakelen. Windows schrijft altijd gebeurtenisinformatie in het systeemlogboek. Als u deze optie wilt uitschakelen op een Windows XP- of Windows 2000 Professional-computer door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde LogEvent in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set WriteToSystemLog = False
    • Met de optie Een waarschuwing naar de beheerder verzenden geeft u op dat beheerders bericht krijgen over de systeemfout als u beheerderssignalen hebt geconfigureerd. Deze optie is standaard ingeschakeld. Als u deze optie wilt uitschakelen door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde SendAlert in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set SendAdminAlert = False

      Voor meer informatie over het instellen van waarschuwingen klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
      310490Beheerderssignalen instellen in Windows XP
    • Met de optie De computer automatisch opnieuw opstarten geeft u op dat de computer automatisch opnieuw wordt opgestart. Deze optie is standaard ingeschakeld. Als u deze optie wilt uitschakelen door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde AutoReboot in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set AutoReboot = False
  4. Onder Foutopsporingsgegevens vastleggen selecteert u het type informatie dat door Windows moet worden vastgelegd in een geheugendumpbestand als de computer onverwachts stopt:
    • Met de optie (geen) wordt geen informatie vastgelegd in een geheugendumpbestand. Als u wilt opgeven dat er geen informatie moet worden vastgelegd in een geheugendumpbestand door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde CrashDumpEnabled in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugInfoType = 0
    • Met de optie Kleine geheugendump wordt de kleinste hoeveelheid informatie vastgelegd die helpt het probleem vast te stellen. Bij deze optie is een wisselbestand benodigd van ten minste 2 MB (megabyte) op het opstartvolume van de computer en wordt telkens wanneer het systeem onverwachts stopt een nieuw bestand gemaakt. Een historisch overzicht van deze bestanden is opgeslagen in de map die wordt vermeld onder Kleine geheugendump (%SystemRoot%\Minidump). In Windows XP en Windows Server 2003 wordt het kleine geheugendumpbestand gebruikt met de functie Windows Foutrapportage. Als u wilt opgeven dat er een klein geheugendumpbestand moet worden gebruikt door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde CrashDumpEnabled in op 3. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugInfoType = 3

      Als u wilt opgeven dat de map D:\Minidump moet worden gebruikt als de map voor een kleine geheugendump door het register te wijzigen, stelt u de uitbreidbare tekenreekswaarde MinidumpDir in op D:\Minidump. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set MiniDumpDirectory = D:\Minidump
    • Met de optie Kernelgeheugendump wordt alleen kernelgeheugen vastgelegd. Met deze optie wordt meer informatie opgeslagen dan in een klein geheugendumpbestand, maar deze optie neemt minder tijd in beslag dan een dumpbestand van het volledige geheugen. Het bestand wordt opgeslagen in het vak Dumpbestand (standaard %SystemRoot%\Memory.dmp) en eventuele eerdere dumpbestanden van het kernelgeheugen of het volledige geheugen worden overschreven als het selectievakje Bestaand bestand overschrijven is ingeschakeld. Als u deze optie instelt, moet u over een voldoende groot wisselbestand beschikken op het opstartvolume. De vereiste grootte is afhankelijk van de hoeveelheid RAM-geheugen in uw computer (de maximumhoeveelheid ruimte die beschikbaar moet zijn voor een kernelgeheugendump is op een 32-bits systeem 2 GB plus 16 MB en op een 64-bits systeem is de maximumhoeveelheid ruimte die beschikbaar moet zijn voor een kernelgeheugendump gelijk aan de omvang van het RAM-geheugen plus 128 MB). De volgende tabel bevat richtlijnen voor de grootte van het wisselbestand:
      Deze tabel samenvouwenDeze tabel uitklappen
      Grootte van het RAM-geheugenHet wisselbestand moet niet kleiner zijn dan
      256 MB?1373 MB1,5 maal de grootte van het RAM-geheugen
      1374 MB of meer32-bits systeem: 2 GB plus 16 MB
      64-bits systeem: de grootte van het RAM-geheugen plus 128 MB
      Als u wilt opgeven dat er een dumpbestand van het kernelgeheugen moet worden gebruikt door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde CrashDumpEnabled in op 2. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugInfoType = 2

      Als u wilt opgeven dat het bestand D:\Dump\Mem.dmp als geheugendumpbestand moet worden gebruikt door het register te wijzigen, stelt u de uitbreidbare tekenreekswaarde DumpFile in op D:\Dump\Mem.dmp. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugFilePath = D:\Dump\Mem.dmp

      Als u wilt opgeven dat er geen eerdere dumpbestanden van het kernelgeheugen of het volledige geheugen moeten worden overschreven door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde Overwrite in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set OverwriteExistingDebugFile = 0
    • Met de optie Volledige geheugendump wordt de inhoud van het systeemgeheugen vastgelegd wanneer de computer onverwachts stopt. Deze optie is niet beschikbaar op computers met een RAM-geheugen van 2 GB of meer. Klik voor meer informatie over dit probleem op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
      274598Volledige geheugendumpbestanden zijn niet beschikbaar op computers met 2 of meer gigabyte RAM
      Als u deze optie selecteert, moet zich op het opstartvolume een wisselbestand bevinden dat groot genoeg is om het totale fysieke RAM-geheugen plus 1 MB te bevatten. Het bestand wordt opgeslagen zoals is opgegeven in het vak Dumpbestand (standaard %SystemRoot%\Memory.dmp).

      De extra megabyte is nodig voor een dumpbestand van het volledige geheugen omdat door Windows naast het dumpen van de geheugeninhoud een header wordt geschreven. De header bevat de handtekening van een crashdump en geeft de waarden van enkele kernelvariabelen aan. De headerinformatie vereist geen volledige megabyte aan ruimte, maar de grootte van het wisselbestand wordt door Windows in stappen van een megabyte aangepast.

      Als u wilt opgeven dat er een dumpbestand van het volledige geheugen moet worden gebruikt door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde CrashDumpEnabled in op 1. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugInfoType = 1

      Als u wilt opgeven dat het bestand D:\Dump\Mem.dmp als geheugendumpbestand moet worden gebruikt door het register te wijzigen, stelt u de uitbreidbare tekenreekswaarde DumpFile in op D:\Dump\Mem.dmp. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set DebugFilePath = D:\Dump\Mem.dmp

      Als u wilt opgeven dat er geen eerdere dumpbestanden van het kernelgeheugen of het volledige geheugen moeten worden overschreven door het register te wijzigen, stelt u de DWORD-waarde Overwrite in op 0. Typ bijvoorbeeld de volgende informatie bij de opdrachtprompt en druk op ENTER:

      wmic recoveros set OverwriteExistingDebugFile = 0.
    Opmerking Als u contact opneemt met Microsoft Product Support Services vanwege een stopfout, kunnen zij u naar het geheugendumpbestand vragen. Dit is het bestand dat wordt gegenereerd door de optie Foutopsporingsgegevens vastleggen. Voor meer informatie over deze opties voor Windows-geheugendumpbestanden klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    254649Overzicht van opties voor geheugendumpbestanden voor Windows Server 2003, Windows XP en Windows 2000

Extra informatie voor IT-professionals

In de voorbeeldopdrachten in de voorgaande procedures wordt Wmic.exe gebruikt om opties voor systeemfouten en systeemherstel in het Windows-register te configureren. Wmic.exe is opgenomen in Windows XP en Windows Server 2003. Wmic.exe is niet opgenomen in Windows 2000, maar u kunt Wmic.exe op een Windows XP- of Windows Server 2003-computer uitvoeren om enkele instellingen voor systeemfouten en systeemherstel door te voeren op een externe Windows 2000-computer. De eigenschap DebugInfoType wordt niet ondersteund op Windows 2000-computers. Voor meer informatie over het hulpprogramma Wmic.exe klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
290216Een beschrijving van het WMI-opdrachtregelprogramma (Windows Management Instrumentation)
Als u de instellingen voor systeemfouten en systeemherstel voor de lokale computer wilt bekijken, typt u wmic recoveros bij de opdrachtprompt en drukt u op ENTER. Als u de instellingen voor systeemfouten en systeemherstel voor een externe computer in het LAN (Local Area Network) wilt bekijken, typt u wmic /node:"computernaam" recoveros bij de opdrachtprompt en drukt u op ENTER. Als u deze voorbeelden van opdrachtregels voor Wmic.exe wilt gebruiken, moet u zijn aangemeld met een gebruikersaccount met beheerdersrechten op de computer. Als u niet bent aangemeld met een gebruikersaccount met beheerdersrechten op de computer, gebruikt u de schakelopties /user:gebruikersnaam en /password:wachtwoord.

U kunt ook Register-editor of een ander hulpprogramma gebruiken om deze registerwaarden te bewerken op een Windows XP-, Windows 2000- of Windows 2003-computer. Voor meer informatie over het bewerken van het Windows-register klikt u op de volgende artikelnummers in de Microsoft Knowledge Base:
322756Procedure: back-up van het register maken en het register bewerken en terugzetten in Windows XP en Windows Server 2003
322755Back-up van het register maken en het register bewerken en terugzetten in Windows 2000

Probleemoplossing

  • Om de functie van het dumpbestand te kunnen gebruiken, moet het wisselbestand zich op het opstartvolume bevinden. Als u het wisselbestand naar een ander volume hebt verplaatst, moet u het terugzetten op het opstartvolume voordat u deze functie gebruikt.
  • Als u de optie Kernelgeheugendump of Volledige geheugendump instelt en u schakelt het selectievakje Bestaand bestand overschrijven in, wordt altijd naar dezelfde bestandsnaam geschreven. Als u afzonderlijke dumpbestanden wilt opslaan, schakelt u het selectievakje Bestaand bestand overschrijven uit en wijzigt u de bestandsnaam na iedere stopfout.
  • U kunt een beetje geheugen besparen als u de selectievakjes Een gebeurtenis in het systeemlogboek vastleggen en Een waarschuwing naar de beheerder verzenden uitschakelt. Het geheugen dat u bespaart is afhankelijk van de computer, maar deze functies vereisen normaal gesproken 60 tot 70 kB.
  • Voor meer informatie over het configureren van de computer om een dumpbestand te genereren voor testdoeleinden, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    244139Windows-functie maakt genereren van het bestand Memory.dmp via toetsenbord mogelijk
  • Voor meer informatie over hulpprogramma's die u kunt gebruiken om de inhoud van een kleine geheugendump te lezen, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    315263Kleine geheugendumpbestanden weergeven die Windows XP voor foutopsporing kan maken
  • Voor meer informatie over procedures om de oorzaak van stopberichten vast te kunnen stellen voordat u contact opneemt met Microsoft Product Support Services, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
    314103Voorbereiding voordat u contact opneemt met Microsoft na het ontvangen van een STOP-bericht op een blauw scherm

Eigenschappen

Artikel ID: 307973 - Laatste beoordeling: maandag 3 december 2007 - Wijziging: 6.4
De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Windows Server 2003, 64-Bit Datacenter Edition
  • Microsoft Windows Server 2003, Enterprise x64 Edition
  • Microsoft Windows Server 2003, Datacenter Edition (32-bit x86)
  • Microsoft Windows Server 2003, Enterprise Edition (32-bit x86)
  • Microsoft Windows Server 2003, Standard Edition (32-bit x86)
  • Microsoft Windows Server 2003, Web Edition
  • Microsoft Windows XP Home Edition
  • Microsoft Windows XP Professional
  • Microsoft Windows XP Professional x64 Edition
  • Microsoft Windows XP Media Center Edition
  • Microsoft Windows XP Tablet PC Edition
  • Microsoft Windows 2000 Advanced Server
  • Microsoft Windows 2000 Datacenter Server
  • Microsoft Windows 2000 Professional Edition
  • Microsoft Windows® 2000 Server
  • Microsoft Windows Small Business Server 2003 Premium Edition
  • Microsoft Windows Small Business Server 2003 Standard Edition
Trefwoorden: 
kbhowtomaster kbenv KB307973

Geef ons feedback

 

Contact us for more help

Contact us for more help
Connect with Answer Desk for expert help.
Get more support from smallbusiness.support.microsoft.com