Een SMTP-adresruimte delen in Exchange 2000 Server of Exchange Server 2003

Vertaalde artikelen Vertaalde artikelen
Artikel ID: 321721 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is.
Alles uitklappen | Alles samenvouwen

Op deze pagina

Inleiding

In dit artikel wordt beschreven hoe u Microsoft Exchange Server 2003 of Microsoft Exchange 2000 Server kunt configureren voor het ondersteunen van een gedeelde SMTP-adresruimte.

Als u meer informatie wilt over hoe u Exchange Server 5.5 kunt configureren voor het delen van een SMTP-domeinnaamruimte (Simple Mail Transfer Protocol), klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
258203Exchange configureren om SMTP-domeinnaamruimte te delen

Meer informatie

Bedrijfsmatige vereisten kunnen voorschrijven dat u dezelfde SMTP-adresruimte deelt met twee of meer verschillende e-mailsystemen. Voor een Exchange Server-omgeving kan dit betekenen dat u de SMTP-adresruimte moet delen tussen een Exchange Server en een op UNIX gebaseerd e-mailsysteem, of tussen Exchange-omgevingen die in verschillende Active Directory-forests zijn geconfigureerd. In een dergelijke situatie hebben de gebruikers in elk e-mailsysteem hetzelfde domeinachtervoegsel als onderdeel van hun e-mailadres.

In dit artikel worden de termen 'adresruimte' en 'domein' door elkaar gebruikt. In dit artikel wordt ervan uitgegaan dat de Exchange-server wordt gebruikt als SMTP-gateway voor binnenkomende e-mail via internet. Wanneer Exchange een binnenkomend SMTP-bericht ontvangt via internet, wordt eerst geprobeerd de weergegeven e-mailadressen van de geadresseerden te interpreteren op basis van objecten in Active Directory. Als het e-mailadres aan een Exchange-postbus is gekoppeld, wordt het bericht naar de postbus gerouteerd. Als het e-mailadres niet aan een Exchange-postbus is gekoppeld, wordt het bericht naar het e-mailsysteem gerouteerd waarmee de SMTP-ruimte wordt gedeeld. Het ontvangende e-mailsysteem bezorgt het bericht vervolgens bij een lokale postbus of genereert een melding van de afleveringsstatus (DSN), zoals een NDR (non-delivery report). Het e-mailsysteem waarmee de SMTP-adresruimte wordt gedeeld, kan onbekende geadresseerden niet doorsturen naar de SMTP-gateway voor binnenkomende e-mail van Exchange. Als u het laatste e-mailsysteem in een keten van e-mailsystemen configureert om onbekende geadresseerden door te sturen naar de gateway voor binnenkomende e-mail, ontstaat een lus waarbij e-mailberichten voortdurend tussen e-mailservers heen en weer worden gestuurd.

Methode 1: Dezelfde SMTP-adresruimte delen met een ander e-mailsysteem

Er kan maar één e-mailsysteem gemachtigd zijn voor een bepaalde SMTP-adresruimte. Wanneer een e-mailsysteem niet gemachtigd is voor een SMTP-adresruimte, moet het e-mailbericht uiteindelijk naar een e-mailsysteem worden gerouteerd dat wel voor de SMTP-adresruimte gemachtigd is. Dit gebeurt op deze manier zodat een NDR wordt gegenereerd als een e-mailbericht niet bij een geadresseerde kan worden bezorgd. Een SMTP-adresruimte kan worden gedeeld met een willekeurig aantal andere e-mailsystemen. In deze configuratie vormt elk e-mailsysteem een schakel in een keten van e-mailsystemen. Het eerste e-mailsysteem in de keten stuurt berichten naar het tweede e-mailsysteem, enzovoort. Dit gaat zo door totdat het bericht is bezorgd bij een geadresseerde of totdat het laatste e-mailsysteem in de keten een NDR voor het bericht genereert.

Exchange moet gemachtigd zijn voor de primaire SMTP-adresruimte die is opgegeven in het standaardbeleid voor geadresseerden. Exchange hoeft niet gemachtigd te zijn voor andere SMTP-adresruimten. In deze situatie hoeft u de gedeelde SMTP-adresruimte alleen maar toe te voegen aan een ander beleid voor geadresseerden, die SMTP-adresruimte in te stellen als de primaire SMTP-adresruimte en het selectievakje This Exchange Organization is responsible for all mail delivery to this address uit te schakelen in het dialoogvenster SMTP Address Properties.

Belangrijk U kunt geen SMTP-adresruimte delen waarvoor Exchange is gemachtigd. Klik op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base voor meer informatie:
823158Gemachtigde en niet-gemachtigde domeinen in Exchange 2000 Server en Exchange Server 2003


De beleidsregels voor geadresseerden bepalen de SMTP-adresruimten waarvoor Exchange is gemachtigd. Ga als volgt te werk om vast te stellen of Exchange gemachtigd is voor een bepaalde SMTP-adresruimte:
  1. Klik in Exchange System Manager met de rechtermuisknop op het beleid voor geadresseerden en klik vervolgens op Properties.
  2. Open het tabblad E-Mail Addresses (Policy), klik op een e-mailadres en vervolgens op Edit.
  3. Als het selectievakje This Exchange Organization is responsible for all mail delivery to this address is ingeschakeld, is Exchange gemachtigd voor de SMTP-adresruimte. Als het selectievakje niet is ingeschakeld, is Exchange niet gemachtigd voor de SMTP-adresruimte.
Ga als volgt te werk om de SMTP-adresruimte te delen met een ander e-mailsysteem.

Stap 1: Wijzig het primaire SMTP-adres voor het standaardbeleid voor geadresseerden

Als u de SMTP-adresruimte wilt delen die als de primaire SMTP-adresruimte is opgegeven in het standaardbeleid voor geadresseerden, moet u een nieuwe SMTP-adresruimte maken die geldt als primaire SMTP-adresruimte in het standaardbeleid voor geadresseerden. De nieuwe primaire SMTP-adresruimte die u maakt, hoeft niet geldig te zijn in de internet-DNS. U kunt een persoonlijke SMTP-adresruimte gebruiken zoals @localhost of @voorbeeld.local. Deze adresruimte is de SMTP-adresruimte die in Exchange wordt gebruikt voor het routeren van interne e-mailberichten.

Ga als volgt te werk om de primaire SMTP-adresruimte te wijzigen die is opgegeven in het standaardbeleid voor geadresseerden.

Opmerking Standaard is het domein dat u opgeeft bij het installeren van Active Directory, de SMTP-adresruimte waarvoor Exchange is gemachtigd. Als deze SMTP-adresruimte niet de SMTP-adresruimte is die u wilt delen, sla dan stap a tot en met g over. Ga in plaats daarvan naar 'Stap 2: Configureer de gedeelde SMTP-adresruimte'. Deze stappen zijn alleen van toepassing als Exchange gemachtigd is voor de SMTP-adresruimte die u wilt delen.
  1. Start Exchange System Manager, klik op Recipient Policies, klik met de rechtermuisknop op Default Policy en klik op Properties.
  2. Klik in het dialoogvenster Default Policy Properties op het tabblad E-Mail Address (Policy) en vervolgens op New.
  3. Klik in het dialoogvenster New E-mail Address op SMTP Address en vervolgens op OK.
  4. Typ in het dialoogvenster SMTP Address Properties de SMTP-adresruimte waarvoor Exchange gemachtigd moet zijn. Typ bijvoorbeeld @voorbeeld.local.
  5. Schakel het selectievakje This Exchange Organization is responsible for all mail delivery to this address in en klik op OK.

    Opmerking De e-mailadresruimte die u opgeeft, moet worden toegepast op alle objecten in Active Directory met e-mailmogelijkheden. Dit geldt in het bijzonder voor gebruikersaccounts met postbussen. Hiermee hebben de gebruikers toegang tot de virtuele server van Outlook Web Access.
  6. Klik op het nieuwe SMTP-adres dat u hebt gemaakt en klik op Set As Primary.
  7. Verwijder het te delen SMTP-adres uit het standaardbeleid voor geadresseerden. Klik daartoe op het SMTP-adres dat u wilt delen en klik op Verwijderen.

Stap 2: Configureer de gedeelde SMTP-adresruimte

Ga als volgt te werk om de gedeelde SMTP-adresruimte te configureren:
  1. Maak een nieuw beleid voor geadresseerden voor de gedeelde SMTP-adresruimte. Klik daartoe met de rechtermuisknop op Recipient Policies, wijs New aan en klik op Recipient Policy.
  2. Schakel in het dialoogvenster New Policy het selectievakje E-Mail Address in en klik op OK.
  3. Typ in het dialoogvenster Properties een naam voor het nieuwe beleid voor geadresseerden, klik op Modify en klik op OK.

    Opmerking Hiermee wordt het standaard LDAP-filter voor het beleid geconfigureerd. U kunt dit filter ook aanpassen voor uw omgeving.
  4. Als het volgende bericht wordt weergegeven, klikt u op OK:
    Wanneer een filter voor het beleid voor geadresseerden verandert, betekent dat niet dat de proxyadressen voor geadresseerden die dan niet meer onder het beleid vallen, automatisch opnieuw worden geëvalueerd. Als u wilt dat geadresseerden proxy's ontvangen van het nieuwe beleid waartoe ze behoren, gebruikt u 'Apply this policy now' voor het beleid waaronder de geadresseerden vallen.
  5. Open het tabblad E-Mail Addresses (Policy) en klik op New.
  6. Klik op SMTP Address en op OK.
  7. Typ in het vak Address de SMTP-adresruimte die u wilt delen. Typ bijvoorbeeld @voorbeeld.com of @microsoft.com.
  8. Schakel het selectievakje This Exchange Organization is responsible for all mail delivery to this address uit en klik op OK.
  9. Klik op het nieuwe SMTP-adres dat u hebt gemaakt en klik op Set As Primary.
  10. Klik op OK en vervolgens op Yes wanneer het volgende bericht verschijnt:
    The e-mail Addresses of type(s) [SMTP] have been modified. Do you want to update all corresponding recipient e-mail addresses to match these new address(es)?

Stap 3: Wijzig de eigenschappen van de virtuele SMTP-server zodat geen berichten worden doorgestuurd naar onbekende geadresseerden

Hiertoe gaat u als volgt te werk:
  1. Vouw in Exchange System Manager achtereenvolgens Administrative Groups, Administrative Group Name, Servers, Servernaam, Protocols en SMTP uit en klik op de desbetreffende virtuele SMTP-server.
  2. Klik met de rechtermuisknop op Default SMTP Virtual Server en klik op Properties.

    Opmerking U dient wellicht SMTP Virtual Servers uit te vouwen voordat u kunt klikken op Default SMTP Virtual Server.
  3. Open het tabblad Messages.
  4. Verwijder alle weergegeven items in het vak Forward all mail with unresolved recipients to host en klik op OK.

Stap 4: Configureer een SMTP-connector voor de gedeelde SMTP-adresruimte

Nadat u de gedeelde SMTP-adresruimte configureert, moet u opgeven hoe Exchange moet bepalen waar berichten naartoe moeten worden gerouteerd die niet corresponderen met een object in Active Directory. Daartoe maakt u een SMTP-connector met de gedeelde SMTP-adresruimte in het dialoogvenster Add Address Space van het connectorobject. Als u geen SMTP-connector met de gedeelde adresruimte toevoegt, wordt binnenkomende e-mail voor de gedeelde SMTP-adresruimte beschouwd als een poging tot relay. In deze situatie accepteert Exchange de binnenkomende e-mail niet. Bovendien moet u een server opgeven waarnaar Exchange onbekende e-mail doorstuurt. U kunt deze doelserver opgeven door de hostnaam of het IP-adres ervan te gebruiken.

Ga als volgt te werk om de SMTP-connector te configureren:
  1. Klik in Exchange System Manager met de rechtermuisknop op Connectors, wijs New aan en klik op SMTP Connector.
  2. Typ in het dialoogvenster Properties een naam voor de nieuwe connector in het vak Name.
  3. Klik op Forward all mail through this connector to the following smart hosts en typ de hostnaam of het IP-adres van de doelcomputer. U moet vierkante haken ([ ]) om de hostnaam of het IP-adres typen. Als het IP-adres van de doelcomputer bijvoorbeeld 192.168.1.10 is, typt u [192.168.1.10].

    Deze computer ontvangt alle e-mailberichten die niet corresponderen met objecten in Active Directory.
  4. Klik achtereenvolgens op Add, op een Exchange-server in het dialoogvenster Add Bridgehead en op OK.
  5. Open het tabblad Address Space, klik op Add, klik op SMTP in het dialoogvenster Add Address Space en klik op OK.
  6. Typ in het dialoogvenster Internet Address Space Properties de gedeelde SMTP-adresruimte in het vak E-mail domain. Typ de gedeelde SMTP-adresruimte zonder het @-teken. Typ voorbeeld.com in het vak E-mail domain. Klik op OK.
  7. Schakel het selectievakje Allow messages to be relayed to these domains in.

    Opmerking Omdat Exchange ook voor de gedeelde e-mailadresruimte berichten moet ontvangen, moet u Exchange berichten naar dit domein laten doorgeven. Met deze instelling accepteren alle virtuele SMTP-servers in de lijst Local bridgeheads op het tabblad General berichten voor de gedeelde e-mailadresruimte.
  8. Klik op OK.

Stap 5: Start de routerings- en SMTP-services opnieuw op

Hiertoe gaat u als volgt te werk:
  1. Klik in de module Services op Start, klik op Uitvoeren, typ services.msc en klik op OK.
  2. Klik met de rechtermuisknop op Microsoft Exchange Routing Engine en klik op Stop.
  3. Klik met de rechtermuisknop op Microsoft Exchange Routing Engine en klik op Start.
  4. Klik met de rechtermuisknop op Simple Mail Transport Protocol (SMTP) en klik op Stop.
  5. Klik met de rechtermuisknop op Simple Mail Transport Protocol (SMTP) en klik op Start.
  6. Sluit de module Services af.
Na configuratie van deze instellingen kan Exchange berichten doorsturen naar een extern berichtensysteem dat dezelfde SMTP-domeinnaamruimte deelt.

Methode 2: De SMTP-adresruimte delen door met behulp van contactpersonen e-mail om te leiden naar een extern e-mailsysteem

Exchange kan een gemeenschappelijke SMTP-adresruimte delen met verschillende e-mailsystemen door met behulp van contactpersonen en SMTP-connectors het pad vast te stellen voor de e-mailberichten. Het domeingedeelte van het kenmerk targetAddress van een contactpersoon bepaalt het doel-e-mailsysteem. De e-mailadressen op het tabblad E-mailadressen van de contactpersoon bepalen welke e-mailadressen aan de contactpersoon zijn gekoppeld. Met deze informatie routeert Exchange het e-mailbericht naar het juiste targetAddress. Het targetAddress komt overeen met het e-mailadres op het tabblad Algemeen van de contactpersoon. Het targetAddress wordt ook gebruikt als het primaire SMTP-adres van de contactpersoon. Het primaire SMTP-adres wordt aangeduid met het acroniem 'SMTP' dat in vetgedrukte hoofdletters vóór het desbetreffende SMTP-e-mailadres staat.

Wanneer een SMTP-e-mailbericht bij een Exchange-systeem binnenkomt, wordt een query verzonden naar Active Directory om het e-mailadres van de geadresseerde te koppelen aan het e-mailadres van een object in Active Directory. Als de adressen met elkaar overeenkomen, routeert Exchange het bericht naar het e-mailadres dat is opgegeven in het kenmerk targetAddress van het object. In dit artikel gaan we ervan uit dat dit e-mailadres beschikbaar is in een extern e-mailsysteem met een uniek SMTP-domein.

Met deze routeringsfunctie fungeert Exchange als een mailswitch voor een willekeurig aantal SMTP-domeinen die door verschillende e-mailsystemen worden gehost. De contactpersoon heeft een primair SMTP-adres dat overeenkomt met het externe berichtensysteem en een secundair SMTP-adres dat overeenkomt met het SMTP-domein van het Exchange-systeem. U gebruikt SMTP-connectors die zijn geconfigureerd voor adresruimten die specifiek zijn voor het domein van het externe e-mailsysteem om e-mail te routeren naar de externe e-mailsystemen.

Gebruikersaccounts in het externe e-mailsysteem moeten een primair SMTP-e-mailadres hebben dat overeenkomt met de gedeelde SMTP-adresruimte en een secundair SMTP-e-mailadres dat overeenkomt met het primaire SMTP-e-mailadres, ofwel het targetAddress, van de contactpersoon in Active Directory.

In dit scenario is sprake van de volgende e-mailuitwisselingen:
  1. Wanneer een gebruiker van het externe e-mailsysteem een e-mailbericht naar internet verzendt, zal het domeingedeelte van het antwoordadres overeenkomen met het secundaire SMTP-e-mailadres van de contactpersoon in Active Directory.
  2. Wanneer de gebruiker van internet het bericht beantwoordt, wordt het bericht naar de Exchange-server gerouteerd.
  3. Wanneer Exchange het bericht ontvangt, wordt het e-mailadres gekoppeld aan het secundaire SMTP-adres van de contactpersoon in Active Directory.
  4. Exchange routeert het bericht naar het primaire SMTP-e-mailadres van de contactpersoon in Active Directory. Dit is het targetAddress van de contactpersoon. Het e-mailbericht wordt derhalve naar het externe e-mailsysteem gerouteerd.
Ga als volgt te werk om met behulp van contactpersonen e-mail om te leiden naar een extern e-mailsysteem.

Stap1: Configureer beleidsregels voor geadresseerden om met contactpersonen te gebruiken

Exchange accepteert e-mailberichten voor elke SMTP-adresruimte die is geconfigureerd in een beleid voor geadresseerden. Ga als volgt te werk om een extern SMTP-domein toe te voegen aan een beleid voor geadresseerden.

Opmerking Dit beleid voor geadresseerden gebruikt een NULL-filterregel. Deze regel is acceptabel omdat u de juiste waarde voor targetAddress gebruikt wanneer u de contactpersonen aan Active Directory toevoegt. Een NULL-filterregel voorkomt bovendien dat de Recipient Update Service de SMTP-adresruimte van het externe e-mailsysteem toepast op Exchange-objecten.
  1. Vouw in Exchange System Manager Recipients uit, klik met de rechtermuisknop op Recipient Policies, wijs New aan en klik op Recipient Policy.
  2. Schakel in het dialoogvenster New Policy het selectievakje E-Mail Addresses in en klik op OK.
  3. Typ in het dialoogvenster Properties een naam voor het nieuwe beleid voor geadresseerden en klik op Modify.
  4. Schakel in het dialoogvenster Find Exchange Recipients alle selectievakjes op het tabblad General uit en klik op OK.
  5. Wanneer het volgende foutbericht wordt weergegeven, klikt u op OK:
    You must select at least one recipient type.

    ID no: c103a06e
    Microsoft Active Directory - Exchange Extension
  6. Als het volgende bericht wordt weergegeven, klikt u op OK:
    Wanneer een filter voor het beleid voor geadresseerden verandert, betekent dat niet dat de proxyadressen voor geadresseerden die dan niet meer onder het beleid vallen, automatisch opnieuw worden geëvalueerd. Als u wilt dat geadresseerden proxy's ontvangen van het nieuwe beleid waartoe ze behoren, gebruikt u 'Apply this policy now' voor het beleid waaronder de geadresseerden vallen.
  7. Open het tabblad E-Mail Addresses (Policy) en klik op New.
  8. Klik in het dialoogvenster New E-mail Address op SMTP Address en vervolgens op OK.
  9. Typ in het dialoogvenster SMTP Address Properties het SMTP-domein van het externe e-mailsysteem in het vak Address. U moet het @-teken in het vak Address opnemen wanneer u het SMTP-domein typt. Als het externe SMTP-domein voorbeeld.com is, typt u @voorbeeld.com in het vak Address. Klik op OK.
  10. Schakel het selectievakje This Exchange Organization is responsible for all mail delivery to this address uit en klik op OK.
  11. Schakel het selectievakje in van het nieuwe SMTP-domein dat u in stap i hebt gemaakt.
  12. Voer stap g tot en met k uit om meer SMTP-domeinen te maken als u meer externe SMTP-domeinen hebt.
  13. Klik op OK en op No wanneer u wordt gevraagd of e-mailadressen van geadresseerden moeten worden bijgewerkt.

Stap 2: Voeg contactpersonen toe aan Active Directory ter aanduiding van externe gebruikers

U kunt contactpersonen aan Active Directory toevoegen met een of meer van de volgende methoden:
  • Met het hulpprogramma Active Directory: gebruikers en computers
  • Met het hulpprogramma Csvde.exe
  • Met het hulpprogramma Ldifde.exe
  • Met behulp van programmacode
Contactpersonen toevoegen aan Active Directory met het hulpprogramma Active Directory: gebruikers en computers kan veel tijd in beslag nemen. Het is dan ook aan te bevelen het hulpprogramma Csvde.exe te gebruiken om contactpersonen aan Active Directory toe te voegen. Bij gebruik van Csvde.exe kunt u het importbestand wijzigen met Microsoft Excel. Csvde.exe is opgenomen in Microsoft Windows Server 2003 en in Microsoft Windows 2000 Server.

U kunt met Csvde.exe eenvoudig vele contactpersonen aan Active Directory toevoegen. Csvde.exe gebruikt een bestandstype met door komma's gescheiden waarden waarbij de eerste regel als kop wordt gebruikt. Deze kop bevat een door komma's gescheiden lijst met Active Directory-kenmerken. Het volgende voorbeeldkopbestand illustreert de minimale set kenmerken die vereist is om een contactpersoon met e-mailmogelijkheden te maken:
objectClass,dn,name,cn,sn,givenName,displayName,proxyAddresses,targetAddress,mail,mailnickname
Elke set door komma's gescheiden waarden voor de kop moet op één regel staan in het importbestand van Csvde.exe. Ook elke set door komma's gescheiden waarden voor elke contactpersoon moet op één regel staan in het importbestand van Csvde.exe.

Belangrijk Het kenmerk mailnickname is belangrijk. Zonder het kenmerk mailnickname wordt het tabblad E-mailadressen niet weergegeven in het dialoogvenster Eigenschappen voor gebruikersnaam van de gebruiker in Active Directory: gebruikers en computers.

Het volgende voorbeeld illustreert het gebruik van de kop samen met voorbeeldwaarden voor een SMTP-contactpersoon:
objectClass,dn,name,cn,sn,givenName,displayName,proxyAddresses,targetAddress,mail,mailnickname
contact,"cn=Internet User,ou=internet users,dc=xo,dc=one",Internet User,Internet User,User,Internet,Internet User,SMTP:internetUser@remote.domain; smtp:internetuser@xo.one,SMTP:internetUser@remote.domain,internetUser@remote.domain,internetuser
Nadat u de kenmerken van de contactpersonen hebt toegevoegd aan het importbestand, gebruikt u de volgende opdrachtregel om de contactpersonen in Active Directory te importeren.

Opmerking Het kenmerk DN van de contactpersoon bepaalt de organisatie-eenheid waaraan de contactpersoon wordt toegevoegd.
csvde ?I ?f importbestandsnaam.csv

Stap 3: Wijzig de eigenschappen van de virtuele SMTP-server zodat geen berichten worden doorgestuurd naar onbekende geadresseerden

Hiertoe gaat u als volgt te werk:
  1. Vouw in Exchange System Manager achtereenvolgens Administrative Groups, Administrative Group Name, Servers, Servernaam, Protocols en SMTP uit en klik op de desbetreffende virtuele SMTP-server.
  2. Klik met de rechtermuisknop op Default SMTP Virtual Server en klik op Properties.

    Opmerking U dient wellicht SMTP Virtual Servers uit te vouwen voordat u kunt klikken op Default SMTP Virtual Server.
  3. Open het tabblad Messages.
  4. Verwijder alle weergegeven items in het vak Forward all mail with unresolved recipients to host en klik op OK.

Stap 4: Maak een SMTP-connector om e-mail te routeren naar het externe e-mailsysteem

Ga als volgt te werk om een SMTP-connector te maken voor het routeren van e-mailberichten naar een extern e-mailsysteem:
  1. Klik in Exchange System Manager met de rechtermuisknop op Connectors, wijs New aan en klik op SMTP Connector.
  2. Typ in het dialoogvenster Properties een naam voor de nieuwe connector in het vak Name.
  3. Klik op Forward all mail through this connector to the following smart hosts en typ de hostnaam of het IP-adres van de doelcomputer. U moet vierkante haken ([ ]) om de hostnaam of het IP-adres typen. Als het IP-adres van de doelcomputer bijvoorbeeld 192.168.1.10 is, typt u [192.168.1.10].

    Deze computer ontvangt alle e-mailberichten die niet corresponderen met objecten in Active Directory.
  4. Klik achtereenvolgens op Add, op een Exchange-server in het dialoogvenster Add Bridgehead en op OK.
  5. Open het tabblad Address Space, klik op Add, klik op SMTP in het dialoogvenster Add Address Space en klik op OK.
  6. Typ in het dialoogvenster Internet Address Space Properties de gedeelde SMTP-adresruimte in het vak E-mail domain. Typ de gedeelde SMTP-adresruimte zonder het @-teken. Typ voorbeeld.com in het vak E-mail domain. Klik op OK.
  7. Schakel het selectievakje Allow messages to be relayed to these domains in.

    Opmerking Omdat Exchange ook voor het gedeelde e-maildomein berichten moet ontvangen, moet u Exchange berichten naar dit domein laten doorgeven. Met deze instelling accepteren alle virtuele SMTP-servers in de lijst Local bridgeheads op het tabblad General berichten voor het gedeelde e-maildomein.
  8. Klik op OK.
  9. Voer stap a tot en met h uit om één SMTP-connector te maken voor elk extern SMTP-e-maildomein.

    Opmerking Als één externe e-mailserver e-mail routeert voor alle externe SMTP-e-maildomeinen, hoeft u de externe SMTP-domeinen alleen maar toe te voegen aan het tabblad Address Space van één SMTP-connector.

Stap 5: Start de routerings- en SMTP-services opnieuw op

Hiertoe gaat u als volgt te werk:
  1. Klik in de module Services op Start, klik op Uitvoeren, typ services.msc en klik op OK.
  2. Klik met de rechtermuisknop op Microsoft Exchange Routing Engine en klik op Stop.
  3. Klik met de rechtermuisknop op Microsoft Exchange Routing Engine en klik op Start.
  4. Klik met de rechtermuisknop op Simple Mail Transport Protocol (SMTP) en klik op Stop.
  5. Klik met de rechtermuisknop op Simple Mail Transport Protocol (SMTP) en klik op Start.
  6. Sluit de module Services af.

Eigenschappen

Artikel ID: 321721 - Laatste beoordeling: maandag 3 december 2007 - Wijziging: 7.2
De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Exchange Server 2003 Enterprise Edition
  • Microsoft Exchange Server 2003 Standard Edition
  • Microsoft Exchange 2000 Server Standard Edition
  • Microsoft Windows Small Business Server 2003 Premium Edition
  • Microsoft Windows Small Business Server 2003 Standard Edition
Trefwoorden: 
kbinfo KB321721

Geef ons feedback

 

Contact us for more help

Contact us for more help
Connect with Answer Desk for expert help.
Get more support from smallbusiness.support.microsoft.com