Select the product you need help with
Installatieprogramma van hotfix voor SQL ServerArtikel ID: 330391 - Bekijk de producten waarop dit artikel van toepassing is. De informatie in dit artikel is van toepassing op Microsoft SQL Server 2000 Service Pack 3 (SP3) hotfix builds 761 tot en met 977 voor alle besturingssystemen. De informatie in dit artikel geldt ook voor SQL Server 2000 SP3 hotfix builds 977 tot en met 2037 wanneer deze zijn geïnstalleerd op een computer met Microsoft Windows 98, Microsoft Windows Millennium Edition of Microsoft Windows NT. Als u probeert SQL Server 2000 SP3 hotfix build 978 of hoger te installeren op een computer met Microsoft Windows 2000, Microsoft Windows XP of Microsoft Windows Server 2003, klikt u voor meer informatie op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base: 842960 SQL Server 2000 Service Pack 4 (SP4) en latere versies worden niet ondersteund in Windows 98, Windows Millennium Edition en Windows NT. Er wordt dus ook geen hotfixondersteuning voor deze besturingssystemen geboden in SQL Server 2000 SP4 en latere versies.
(http://support.microsoft.com/kb/842960/
)
Beschrijving van het 32-bit SQL Server 7.0- en SQL Server 2000-hotfixinstallatieprogrammaOp deze paginaSamenvatting Hotfixes voor Microsoft SQL Server 2000 worden geleverd in de vorm van uitvoerbare bestanden die automatisch worden uitgepakt. Het hotfix-installatieprogramma heeft een grafische gebruikersinterface. Met behulp van het hotfix-installatieprogramma kunt u de installatie van hotfixes in de hele organisatie automatiseren. De naam van het hotfix-installatieprogramma heeft de volgende notatie: X.YY.ZZZZ_Taal.exe
8.00.0701_enu.exe. Als u bij het uitpakken van de hotfix problemen ondervindt met schijfruimte, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base: 301913
(http://support.microsoft.com/kb/301913/
)
FOUT: Foutbericht 'Er is onvoldoende ruimte op station' wanneer u SQL Server 2000-dowloads uitpaktMeer informatieVoordat u het hotfix-installatieprogramma installeertVoordat u overgaat op het installeren van het hotfix-installatieprogramma, is het raadzaam om een reservekopie te maken van de volgende databases:
Hoe gebruikt u het hotfix-installatieprogramma?U start de hotfixinstallatie door het uitvoerbare hotfixbestand te openen. Als u een standaard-hotfixinstallatie wilt, moet u het uitvoerbare hotfixbestand op de server opslaan en uitvoeren. Aanwijzingen voor het installeren van hotfixes in een clusterinstallatie vindt u in de sectie 'Clusterinstallatie' van dit artikel. Om de installatie te kunnen uitvoeren, meldt u zich bij het besturingssysteem aan met een gebruikersaccount die beschikt over lokale beheerdersreferenties.Wanneer u de installatie start, worden de bestanden uitgepakt en opgeslagen in de map temp. Vervolgens wordt er een onderdeel van het hotfix-installatieprogramma gestart dat is voorzien van een gebruikersinterface en waarmee u door de rest van de installatieprocedure wordt geloodst. Welke bestanden worden door deze hotfix bijgewerkt?Er is een INF-bestand met een overzicht van de bestanden die door deze hotfix worden bijgewerkt. U kunt dit overzicht weergeven door het uitvoerbare hotfixbestand te openen en het INF-bestand uit te pakken.Ga als volgt te werk om de bestanden weer te geven die door deze hotfix worden bijgewerkt: 1. Open het uitvoerbare hotfixbestand. Voer het programma uit tot aan de fase waarin de bestanden worden uitgepakt. De bestanden worden uitgepakt naar de map %TEMP%. Annuleer de installatieprocedure nog niet. Als u dit wel doet, worden de uitgepakte bestanden uit de map %TEMP% verwijderd. 2. Wanneer het welkomstscherm van het hotfix-installatieprogramma wordt weergegeven, zoekt u de map %TEMP%. Zoek aan de hand van de tijdstempel van de mappen in TEMP naar de map met de naam pftXX~tmp, waarbij XX een willekeurig cijfer is. 3. Zoek het bestand Hotfix.inf in deze map en ga naar de sectie [FILES] voor een compleet overzicht van de bijgewerkte bestanden. In de sectie [SCRIPTS] van het bestand Hotfix.inf kunt u nagaan of er door deze hotfix scripts worden toegepast op uw SQL Server-configuratie. 4. Annuleer de installatieprocedure om de tijdelijke map te verwijderen. Opmerking De lijst met bijgewerkte bestanden is ook opgenomen in het Microsoft Knowledge Base-artikel waarin de hotfix wordt beschreven. Het artikelnummer staat in het welkomstscherm van het hotfix-installatieprogramma. Hoe werkt het installatieprogramma?De volgende stappen worden door het hotfix-installatieprogramma uitgevoerd:
ClusterinstallatieClusterinstallatie van SQL Server 2000Als u de hotfix wilt gebruiken voor een gegroepeerde SQL 2000-installatie, voert u de hotfix uit in het knooppunt waarin de SQL Server-bron zich bevindt. De SQL Server-bron wordt door het hotfix-installatieprogramma offline gehaald en de binaire bestanden in alle knooppunten van de cluster worden bijgewerkt. Tot slot wordt de SQL Server-bron weer online gebracht en de installatiescripts (.SQL) die deel uitmaken van de hotfix worden uitgevoerd.Clusterinstallatie van SQL Server 7.0Als u een clusterinstallatie van SQL Server 7.0 wilt uitvoeren, verwijdert u SQL Server eerst uit de cluster door de wizard SQL Server Failover uit te voeren vanuit het knooppunt van de primaire cluster van elke virtuele SQL-server.Active/ActiveGa als volgt te werk om een Active/Active-installatie uit te voeren:
Active/PassiveGa als volgt te werk om een Active/Passive-installatie uit te voeren:
OpdrachtregelparametersHieronder vindt u een lijst van de opdrachtregelparameters die geldig zijn voor deze hotfix.
Parameter Beschrijving
------ ----------
/s Het voortgangsvenster voor zelf-extractie uitschakelen. Deze parameter moet voorafgaan aan /a.
/a Deze parameter moet aan alle andere parameters voorafgaan, behalve /s, wanneer u
de hotfix start met het zelf-extraherende EXE-bestand en u
parameters wilt opgeven voor een installatie zonder toezicht. Deze
parameter is vereist voor installaties zonder toezicht.
/q Het installatieprogramma uitvoeren in de stille modus,
zonder gebruikersinterface.
/allinstances Dit is een SQL-specifieke parameter waarmee alle instanties van SQL Server
die aan de voorwaarden voldoen in de stille modus worden bijgewerkt. U kunt deze parameter ook gebruiken
voor het bijwerken van alle virtuele servers van SQL Server die voldoen aan de voorwaarden.
De opdracht moet dan vanaf het actieve knooppunt worden uitgevoerd.
INSTANCENAME Naam van het SQL Server-exemplaar. De syntaxis is
INSTANCENAME=uwexemplaar
BLANKSAPWD Blanco sa-wachtwoord voor SQL-verificatie. Als u deze
parameter opgeeft op computers met Microsoft Windows NT of
Microsoft Windows 2000, wordt de standaardaanmeldingsaccount voor Windows-verificatie
overschreven en wordt de aanmelding uitgevoerd met een blanco sa-wachtwoord.
De syntaxis is BLANKSAPWD=1.
Deze parameter is uitsluitend geldig voor installaties
zonder toezicht.
SAPWD Niet-blanco sa-wachtwoord. De syntaxis is
SAPWD=uwsawachtwoord. Deze parameter
overschrijft de standaard Windows-verificatie op computers met
Windows NT en Windows 2000, of de parameter BLANKSAPWD, indien van toepassing.Voorbeelden van opdrachtregels
Hoe voert u een installatie zonder toezicht uit?Een installatie zonder toezicht is vergelijkbaar met de interactieve installatie die hierboven is beschreven. Als u een stille installatie wilt, voert u het zelf-extraherende EXE-bestand uit met de parameter /q. Past u de hotfix toe op een benoemd exemplaar, dan geeft u de exemplaarnaam op de opdrachtregel op met de parameter INSTANCENAME. Als het geselecteerde exemplaar in aanmerking komt voor de hotfix, wordt de patch door het installatieprogramma uitgevoerd zoals hierboven is beschreven. Wanneer de parameter INSTANCENAME niet is opgegeven, gebruikt de hotfix het standaardexemplaar van SQL Server.Voor clusterinstallaties zonder toezicht kunt u dezelfde syntaxis gebruiken als in een scenario zonder clusters. Stel dat u bijvoorbeeld een benoemd exemplaar hebt in een cluster met de naam HALLO\Inst1, waarbij HALLO de naam is van de virtuele server. De syntaxis ziet er dan zo uit: LogboekbestandElke actie die tijdens de installatie van de hotfix wordt uitgevoerd, wordt opgeslagen in het installatielogboekbestand. Het logboekbestand bevat voldoende informatie over de acties die in elke fase van de installatie zijn uitgevoerd en de specifieke bewerkingen die op elk bestand zijn toegepast. Het logboekbestand wordt door de hotfix opgeslagen in de map %WINDIR%\SQLHotfix. Elk logboekbestand krijgt van het programma een unieke naam:SQLHotfix?.Log Het vraagteken (?) geeft aan hoeveel keren u geprobeerd hebt de hotfix op de computer te installeren. Bij een succesvolle installatie staat aan het eind van het logboekbestand het volgende: Als de installatie van de hotfix is mislukt, ziet u het volgende:Dit bericht geeft aan dat de installatie tijdens de procedure is geannuleerd en dat de installatie is afgebroken:Bij mislukte installaties wordt een foutcode in het logboekbestand van het hotfix-installatieprogramma opgenomen. De hotfix verwijderen of terugdraaienMocht u besluiten een hotfix terug te draaien, dan moeten de bijgewerkte bestanden handmatig worden verwijderd. In het installatielogboekbestand vindt u een compleet overzicht van de bestanden en de bijbehorende mappen met reservekopieën die door de hotfix zijn gemaakt. Zoals eerder beschreven, worden er van de bestaande bestanden reservekopieën in een mapstructuur gemaakt (zie hierboven) voordat ze door nieuwe bestanden worden vervangen. Als u de hotfix wilt terugdraaien, sluit u alle services af en herstelt u de bestanden die in het logboekbestand zijn vermeld met behulp van de reservekopieën. Als er tijdens de installatie scripts zijn uitgevoerd door de hotfix, is er geen snelle manier om de wijzigingen in de systeemdatabases automatisch terug te draaien. Daarom is het belangrijk om reservekopieën van de systeemdatabases te maken voordat u de hotfix toepast.Als u deze hotfix moet terugdraaien en het installatielogboekbestand (of het INF-bestand) geeft aan dat de hotfix een of meer SQL-scripts op de server heeft uitgevoerd, gaat u als volgt te werk: Belangrijk Met de stappen hieronder wordt de hoofddatabase opnieuw samengesteld en hersteld met behulp van de reservekopie die werd gemaakt voordat de hotfix werd toegepast. Als u na het uitvoeren van de hotfix nieuwe gebruikersdatabases hebt gemaakt, maakt u daar nu reservekopieën van zodat u deze na het uitvoeren van de volgende stappen kunt terugzetten:
Eigenschappen | Vertaalde artikelen
|


Naar boven








