Artikel ID: 314058 - Laatste beoordeling: dinsdag 30 juni 2009 - Wijziging: 5.2 Beschrijving van de herstelconsole van Windows XP voor ervaren gebruikersDit artikel is eerder gepubliceerd onder NL314058
Klik op de volgende koppeling voor een Microsoft Windows 2000-versie van dit artikel: 229716
(http://support.microsoft.com/kb/229716/
)
.
Belangrijke opmerkingIn dit artikel wordt voor ervaren computergebruikers beschreven wat de herstelconsole is en hoe u deze kunt gebruiken. Het artikel bevat geen informatie over het oplossen van specifieke problemen.Om de herstelconsole te kunnen gebruiken, hebt u een Windows-installatieschijf nodig. U moet zijn aangemeld als beheerder of als lid van de groep Administrators om de herstelconsole op de computer uit te voeren. Als uw computer is verbonden met een netwerk, kunnen bepaalde netwerkbeleidsinstellingen de uitvoering van deze procedure verhinderen. Neem contact op met de netwerkbeheerder als dit probleem optreedt. Op deze paginaInleidingIn dit artikel worden de kenmerken en beperkingen van de herstelconsole van Windows beschreven. Als een Windows XP-computer niet goed opstart of helemaal niet opstart, kunt u de herstelconsole mogelijk gebruiken om de systeemsoftware te helpen herstellen. De volgende onderwerpen komen aan de orde:
Meer informatieMet de herstelconsole van Windows hebt u beperkte toegang tot de NTFS-, FAT- en FAT32-volumes zonder de grafische gebruikersinterface (GUI) van Windows te starten. In de herstelconsole kunt u uitsluitend de volgende acties uitvoeren:
Optie 1: Als u de herstelconsole al hebt geïnstalleerdAls u de herstelconsole al hebt geïnstalleerd, kunt u deze selecteren bij het opstarten van Windows. U voert de herstelconsole als volgt uit:
Optie 2: De herstelconsole van Windows opstarten vanaf de cd-rom van Windows XPAls u de herstelconsole niet vooraf hebt geïnstalleerd, kunt u de computer starten en de herstelconsole rechtstreeks vanaf uw originele installatieschijf van Windows XP gebruiken. Als Windows al wordt uitgevoerd op uw computer en u de herstelconsole als een opstartoptie wilt toevoegen, gaat u naar de sectie 'De herstelconsole van Windows toevoegen als een opstartoptie'.
Optie 3: De herstelconsole van Windows toevoegen als een opstartoptieAls Windows op uw computer wordt opgestart, kunt u de herstelconsole van Windows XP als een opstartoptie toevoegen vanuit de Windows-omgeving. Voer de volgende stappen uit om de herstelconsole als opstartoptie te installeren:
229077
(http://support.microsoft.com/kb/229077/
)
Kan Herstelconsole niet vooraf installeren door gespiegelde systeempartitie
222478
(http://support.microsoft.com/kb/222478/
)
Een sjabloon maken voor het uitvoeren van de herstelconsole met een installatieserver op afstand (Het Engels) Beperkingen van de herstelconsoleVanuit de herstelconsole hebt u uitsluitend toegang tot de volgende items:
De opdrachtenconsole gebruiken binnen de herstelconsole van WindowsMet de herstelconsole van Windows hebt u beperkte toegang tot de NTFS-, FAT- en FAT32-volumes. Er wordt voorkomen dat de vertrouwde grafische gebruikersinterface (GUI) van Windows wordt geladen om Windows-functionaliteit te kunnen repareren en herstellen.Nadat u de herstelconsole van Windows hebt gestart, wordt het volgende bericht weergegeven: Voer het nummer in voor de juiste Windows-installatie. In dit voorbeeld zou u op 1 drukken. Vervolgens wordt u gevraagd om het wachtwoord van de beheerdersaccount in te voeren. Opmerking Als u driemaal een ongeldig wachtwoord opgeeft, wordt de herstelconsole afgesloten. Als de SAM-database (Security Accounts Manager) ontbreekt of is beschadigd, kunt u de herstelconsole niet gebruiken omdat de aanmelding niet kan worden geverifieerd. Nadat u het wachtwoord hebt opgegeven en de herstelconsole hebt gestart, typt u Exit om de computer opnieuw op te starten. Wanneer u Windows XP Professional gebruikt, kunt u groepsbeleid instellen om automatische aanmelding van beheerders in te schakelen. Voor meer informatie over het instellen van de herstelconsole zodat beheerders automatisch worden aangemeld, klikt u op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base: 312149
(http://support.microsoft.com/kb/312149/
)
Procedure: Automatische beheerdersaanmelding bij de herstelconsole inschakelen
Beschikbare opdrachten in de herstelconsole van WindowsDe volgende opdrachten zijn beschikbaar in de herstelconsole van Windows. De opdrachten zijn niet hoofdlettergevoelig.Waarschuwing Sommige van deze opdrachten kunnen ervoor zorgen dat uw systeem niet meer werkt. Lees de volledige uitleg bij elke opdracht voordat u de opdracht op de opdrachtregel invoert. Vraag om advies bij een ondersteuningsmedewerker als u vragen hebt over een specifieke opdracht. HELPDe opdracht help geeft een overzicht van de volgende ondersteunde opdrachten:attrib del fixboot more set batch delete fixmbr mkdir systemroot bootcfg dir format more type cd disable help net chdir diskpart listsvc rd chkdsk enable logon ren cls exit map rename copy expand md rmdir ATTRIBGebruik de opdracht attrib in combinatie met een of meer van de volgende parameters om de kenmerken van een bestand of map te wijzigen:-R Opmerkingen+R -S +S -H +H -C +C + Stelt een kenmerk in. - Schakelt een kenmerk uit. R Bestandskenmerk Alleen-lezen. S Kenmerk Systeembestand. H Kenmerk Verborgen bestand. C Bestandskenmerk Gecomprimeerd. U moet ten minste één kenmerk in- of uitschakelen. Als u de kenmerken wilt bekijken, gebruikt u de opdracht dir. BATCHbatch invoerbestand [uitvoerbestand]
Gebruik deze opdracht om opdrachten uit te voeren die zijn opgegeven in een tekstbestand. In deze opdrachtsyntaxis geeft invoerbestand het tekstbestand aan dat de lijst met opdrachten bevat die moeten worden uitgevoerd, en geeft uitvoerbestand het bestand aan dat de uitvoer van de opgegeven opdrachten bevat. Als u geen uitvoerbestand opgeeft, wordt de uitvoer weergegeven op het scherm.
BOOTCFGDeze opdracht gebruikt u voor het configureren en herstellen van de opstartmodus. Deze opdracht heeft de volgende opties:bootcfg /add
Voorbeelden:
bootcfg /rebuild bootcfg /scan bootcfg /list bootcfg /disableredirect bootcfg /redirect [portbaudrate] | [useBiosSettings] bootcfg /redirect com1 115200 bootcfg /redirect useBiosSettings
U kunt de volgende opties gebruiken:
/add Een Windows-installatie toevoegen aan het opstartmenu. /rebuild Door alle Windows-installaties bladeren zodat u kunt opgeven welke installaties moeten worden toegevoegd. /scan Op alle schijven naar Windows-installaties zoeken en de resultaten weergeven zodat u kunt opgeven welke installaties moeten worden toegevoegd. /default Het standaardopstartitem instellen. /list Een overzicht weergeven van de items die al in het opstartmenu staan. /disableredirect Omleiding in de opstartlader uitschakelen. /redirect Omleiding in de opstartlader inschakelen met de opgegeven configuratie. CD en CHDIRGebruik de opdrachten cd en chdir om naar een andere map te gaan. U kunt bijvoorbeeld de volgende opdrachten gebruiken:Typ cd .. om naar de bovenliggende map te gaan.
De opdracht chdir behandelt spaties als scheidingstekens. Een mapnaam waarin zich spaties bevinden, moet u daarom tussen dubbele aanhalingstekens plaatsen. Bijvoorbeeld: Typ cd station: om de huidige map van het opgegeven station weer te geven. Typ cd zonder parameters om het huidige station en de huidige map weer te geven. cd "\windows\profiles\username\programs\start menu" De opdracht chdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie en de lokale installatiebronnen.
CHKDSKchkdsk station /p /r
Met de opdracht chkdsk wordt het opgegeven station gecontroleerd en wordt dit zo nodig hersteld of teruggezet. Met deze opdracht worden bovendien eventuele beschadigde sectoren gemarkeerd en wordt leesbare informatie hersteld.U kunt de volgende opties gebruiken: /p Een uitgebreide controle van het station uitvoeren en eventuele fouten herstellen. Opmerking Als u de schakeloptie /r opgeeft, wordt de schakeloptie /p geïmpliceerd. Als u de opdracht chkdsk zonder argumenten opgeeft, wordt het huidige station gecontroleerd zonder schakelopties. /r Beschadigde sectoren opsporen en leesbare informatie herstellen. Wanneer u de opdracht chkdsk uitvoert, moet u het bestand Autochk.exe gebruiken. CHKDSK zoekt dit bestand automatisch in de opstartmap. Als de opdrachtenconsole vooraf is geïnstalleerd, is de opstartmap doorgaans de map Cmdcons. Kan CHKDSK het bestand niet in de opstartmap vinden, dan wordt er vervolgens gezocht op de installatie-cd van Windows. Als de installatiemedia niet worden aangetroffen, vraagt CHKDSK u de locatie van het bestand Autochk.exe op te geven. CLSMet deze opdracht maakt u het scherm leeg.COPYcopy bron doel
Gebruik deze opdracht om een bestand te kopiëren. In deze opdrachtsyntaxis geeft bron het bestand aan dat moet worden gekopieerd en geeft doel de map- of bestandsnaam voor het nieuwe bestand aan. U kunt geen jokertekens (*) gebruiken en geen mappen kopiëren. Als u een gecomprimeerd bestand vanaf de Windows-installatieschijf kopieert, wordt het bestand tijdens het kopiëren automatisch uitgepakt.De bron van het bestand kan verwisselbare media, een map in de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, de hoofdmap van het station, de lokale installatiebronnen of de map Cmdcons zijn. Als doel niet wordt opgegeven, wordt standaard de actieve map als doel gebruikt. Als het bestand al aanwezig is, wordt gevraagd of u het bestaande bestand wilt overschrijven. Het doel kan geen verwisselbaar medium zijn. DEL en DELETEdel station: pad bestandsnaam delete station: pad bestandsnaam
Gebruik deze opdracht om een bestand te verwijderen. In deze opdrachtsyntaxis wordt met station: pad bestandsnaam het bestand aangegeven dat u wilt verwijderen. De opdracht delete werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen. Bij de opdracht delete kunnen geen jokertekens worden gebruikt.
DIRdir station: pad bestandsnaam
Gebruik deze opdracht om een overzicht van de bestanden en submappen in een map weer te geven. In deze opdrachtsyntaxis wordt met station: pad bestandsnaam het station, de map en de bestanden aangegeven die moeten worden weergegeven. Met de opdracht dir wordt een overzicht gegeven van alle bestanden, met inbegrip van verborgen bestanden en systeembestanden. Bestanden kunnen de volgende kenmerken hebben:
D Directory.
De opdracht dir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.
H Verborgen bestand. S Systeembestand. E Gecodeerd. R Alleen-lezen-bestand. A Bestanden gereed voor archivering. C Gecomprimeerd. P Reparse-punt. DISABLEdisable servicenaam Gebruik deze opdracht om een Windows-systeemservice of -stuurprogramma uit te schakelen. In deze opdrachtsyntaxis wordt met servicenaam de service die of het stuurprogramma dat u wilt uitschakelen, aangegeven. Gebruik de opdracht listsvc voor het weergeven van alle services of stuurprogramma's die kunnen worden uitgeschakeld. De opdracht disable laat het oude starttype van de service zien voordat het starttype op SERVICE_DISABLED wordt ingesteld. Maak een notitie van het oude opstarttype voor als u de service weer moet inschakelen. Met de opdracht disable worden de volgende waarden voor start_type weergegeven: SERVICE_DISABLED SERVICE_BOOT_START SERVICE_SYSTEM_START SERVICE_AUTO_START SERVICE_DEMAND_START DISKPARTdiskpart /add/deleteapparaatnaam stationsnaam partitienaam grootte
Gebruik de opdracht diskpart om de partities op de vaste-schijfvolumes te beheren.
U kunt de volgende opties gebruiken:
/add Een nieuwe partitie maken.
U kunt de apparaatnaam vaststellen aan de hand van de resultaten van de opdracht MAP, bijvoorbeeld \apparaat\vaste_schijf0. U kunt de partitienaam gebruiken in plaats van het stationsnaamargument, bijvoorbeeld \apparaat\vaste_schijf0\partitie1. Als u geen argumenten gebruikt, wordt er een gebruikersinterface voor het beheer van de partities weergegeven./delete Een bestaande partitie verwijderen. apparaatnaam De naam van het apparaat dat wordt gebruikt om een nieuwe partitie te maken. stationsnaam Een naam op basis van een stationsaanduiding, bijvoorbeeld D:. partitienaam De op de partitie gebaseerde naam voor het verwijderen van een bestaande partitie. grootte De grootte van de nieuwe partitie in megabytes. Waarschuwing Het gebruik van deze opdracht op een schijf die is bijgewerkt tot een dynamische-schijfconfiguratie kan leiden tot beschadiging van de partitietabel. Wijzig de structuur van dynamische schijven uitsluitend met behulp van het hulpprogramma Schijfbeheer. ENABLEenable servicenaam starttype U kunt de opdracht enable gebruiken om een Windows-systeemservice of -stuurprogramma in te schakelen.Gebruik de opdracht listsvc voor het weergeven van alle services of stuurprogramma's die kunnen worden ingeschakeld. De opdracht enable laat het oude starttype van de service zien voordat de nieuwe waarde wordt ingesteld. Noteer het oude starttype voor het geval het nodig is om het starttype van de service te herstellen. Geldige opties voor starttype zijn: SERVICE_BOOT_START Als u geen nieuw starttype opgeeft, wordt met de opdracht enable het oude starttype weergegeven.
SERVICE_SYSTEM_START SERVICE_AUTO_START SERVICE_DEMAND_START EXITGebruik de opdracht exit om de herstelconsole af te sluiten en de computer opnieuw op te starten.EXPANDexpand bron [/F:bestand(en)] [doel] [/y] expand bron [/F:bestand(en)] /D
Gebruik deze opdracht om een bestand uit te vouwen. In deze opdrachtsyntaxis geeft bron het bestand aan dat moet worden uitgepakt en geeft doel de map voor het nieuwe bestand aan. Als u geen doel opgeeft, wordt standaard de actieve map gebruikt. Hierbij kunt u geen jokertekens opgeven.
U kunt de volgende opties gebruiken: /y Geen vraag weergeven voordat een bestaand bestand wordt overschreven.
Als de bron meer dan één bestand bevat, is de parameter /f:bestand(en) vereist ter aanduiding van de bestanden die moeten worden uitgepakt. Hierbij kunt u jokertekens opgeven./f:bestand(en) De bestanden die u wilt uitvouwen. /d Niet uitvouwen, maar alleen een lijst weergeven van de bestanden die zich in de bron bevinden. Het doel kan elke map zijn in de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, de hoofdmap van het station, de lokale installatiebronnen of de map Cmdcons. Het doel kan geen verwisselbaar medium zijn en het doelbestand kan niet Alleen-lezen zijn. Gebruik de opdracht attrib om het kenmerk Alleen-lezen te verwijderen. Tenzij u de optie /y gebruikt, wordt u bij de opdracht expand gevraagd of het doelbestand al bestaat. FIXBOOTfixboot stationsnaam: Gebruik deze opdracht om de nieuwe Windows-opstartsectorcode in de systeempartitie te schrijven. In deze opdrachtsyntaxis is stationsnaam de aanduiding van het station waarnaar de opstartsector wordt geschreven. Met deze opdracht herstelt u schade in de opstartsector van Windows. Dit heeft voorrang boven de standaardinstelling, waarbij naar de systeemopstartpartitie wordt geschreven. De opdracht fixboot wordt alleen ondersteund op x86-computers.
FIXMBRfixmbr apparaatnaam Gebruik deze opdracht om de MBR (Master Boot Record) van de opstartpartitie te herstellen. In deze opdrachtsyntaxis is apparaatnaam een optionele apparaatnaam waarmee het apparaat wordt aangeduid waarvoor een nieuwe hoofdopstartrecord nodig is. Gebruik deze opdracht als de MBR is beschadigd door een virus en Windows niet kan worden gestart.Waarschuwing Deze opdracht kan de partitietabellen beschadigen als er een virus aanwezig is of als er sprake is van een hardwareprobleem. Als u deze opdracht gebruikt, kunnen er ontoegankelijke partities ontstaan. Microsoft raadt u aan antivirussoftware uit te voeren voordat u deze opdracht gebruikt. U kunt de apparaatnaam ophalen uit de uitvoer van de opdracht map. Als u geen apparaatnaam opgeeft, wordt de MBR van het opstartapparaat hersteld. Bijvoorbeeld: fixmbr \apparaat\vaste-schijf2
Als de opdracht fixmbr een partitietabelhandtekening detecteert die ongeldig of niet-standaard is, wordt uw toestemming gevraagd voordat het hoofdopstartrecord opnieuw wordt geschreven. De opdracht fixmbr wordt alleen ondersteund op x86-computers.
FORMATformat station: /Q /FS:bestandssysteem Gebruik deze opdracht om het opgegeven station te formatteren met het opgegeven bestandssysteem. In deze opdrachtsyntaxis wordt met /Q een snelle formattering van het station uitgevoerd, station is de stationsletter van de te formatteren partitie en met /FS:bestandssysteem wordt het te gebruiken bestandssysteem opgegeven, zoals FAT, FAT32 of NTFS. Als u geen bestandssysteem opgeeft, wordt de bestaande bestandssysteemindeling gebruikt (indien beschikbaar).
LISTSVCDe opdracht listsvc geeft een overzicht van alle beschikbare services, stuurprogramma's en bijbehorende starttypen voor de huidige Windows-installatie. Deze opdracht is nuttig in combinatie met de opdrachten disable en enable.De lijst wordt opgehaald uit het onderdeel %SystemRoot%\System32\Config\System. Als het onderdeel System is beschadigd of ontbreekt, kan dit onvoorspelbare resultaten tot gevolg hebben. LOGONlogon De opdracht logon geeft een overzicht van alle gedetecteerde installaties van Windows en vraagt naar het lokale beheerderswachtwoord voor de Windows-installatie waarbij u zich wilt aanmelden. Als uw eerste drie aanmeldingspogingen mislukken, wordt de console afgesloten en de computer opnieuw opgestart.
MAPmap arc Gebruik deze opdracht om een overzicht van stationsaanduidingen, bestandssysteemtypen, partitiegrootten en toewijzingen aan fysieke apparaten weer te geven. In deze opdrachtsyntaxis is de parameter arc een instructie om ARC-paden te gebruiken in plaats van Windows Device-paden.
MD en MKDIRMet de opdrachten md en mkdir worden nieuwe mappen gemaakt. Jokertekens worden niet ondersteund. De opdracht mkdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.MOREmore bestandsnaam Met deze opdracht kunt u een tekstbestand weergeven op het scherm.
NETHoewel in het Help-bestand anderszins wordt aangegeven, kan de opdracht net niet vanuit de herstelconsole worden gebruikt. De protocolstack is niet geladen voor de herstelconsole. Daardoor is er geen netwerkfunctie beschikbaar.RD en RMDIRGebruik de opdrachten rd en rmdir om een map te verwijderen. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.REN en RENAMEGebruik de opdrachten ren en rename om de naam van een bestand te wijzigen.Opmerking U kunt geen nieuw station of pad opgeven voor het bestand waarvan de naam is gewijzigd. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen. SETU kunt de opdracht set gebruiken om vier omgevingsopties weer te geven of te wijzigen.AllowWildCards = FALSE AllowAllPaths = FALSE AllowRemovableMedia = FALSE NoCopyPrompt = FALSE
Klik voor meer informatie over het gebruik van de opdracht set op het volgende artikelnummer in de Microsoft Knowledge Base:
235364
(http://support.microsoft.com/kb/235364/
)
Beschrijving van de opdracht SET in de herstelconsole (Het Engels) SYSTEMROOTDe opdracht systemroot stelt de huidige werkmap in op de map %SystemRoot% van de Windows-installatie waarbij u zich hebt aangemeld.TYPEtype bestandsnaam Gebruik de opdracht type om een tekstbestand weer te geven.
ReferentiesZie 229716
(http://support.microsoft.com/?scid=kb;%5Bln%5D;229716)
voor een Microsoft Windows 2000-versie van dit artikel. Ga voor meer informatie over de herstelconsole naar de volgende website van Microsoft: http://technet.microsoft.com/nl-nl/library/cc776139.aspx
(http://technet.microsoft.com/nl-nl/library/cc776139.aspx)
| Vertaalde artikelen
|
Naar boven
