ISLEEG retourneert WAAR als een waarde verwijst naar een lege cel, ONWAAR als er gegevens of een NULL-waarde zijn. Gebruik ISLEEG met de instructie =ALS om andere waarden of berichten dan WAAR of ONWAAR te retourneren.
=ISLEEG (waarde)
Voorbeeld 1: gebruikt =ALS om een lege waarde te vervangen door een nul of om de werkelijke celwaarde als resultaat te geven als dat niet het resultaat is. =ALS(ISLEEG(D15);0;D15)
Voorbeeld 2: gebruikt =ALS om te vragen om invoer.=ALS(ISLEEG(D15);"Voer iets in";D15)
Tip: Als u controleert op delen door nul of andere fouten, gebruikt u ALS.FOUT. Zie De functie ALS.FOUT gebruiken voor meer informatie.
ISLEEG retourneert WAAR als een waarde verwijst naar een lege cel, ONWAAR als er gegevens of een NULL-waarde zijn. Gebruik ISLEEG met de instructie =ALS om andere waarden of berichten dan WAAR of ONWAAR te retourneren.
=ISLEEG (waarde)
Voorbeeld 1: gebruikt =ALS om een lege waarde te vervangen door een nul of om de werkelijke celwaarde als resultaat te geven als dat niet het resultaat is. =ALS(ISLEEG(D15);0;D15)
Voorbeeld 2: gebruikt =ALS om te vragen om invoer.=ALS(ISLEEG(D15);"Voer iets in";D15)
Tip: Als u controleert op delen door nul of andere fouten, gebruikt u ALS.FOUT. Zie De functie ALS.FOUT gebruiken voor meer informatie.
ISLEEG retourneert WAAR als een waarde verwijst naar een lege cel, ONWAAR als er gegevens of een NULL-waarde zijn. Gebruik ISLEEG met de instructie =ALS om andere waarden of berichten dan WAAR of ONWAAR te retourneren.
=ISLEEG (waarde)
Voorbeeld 1: gebruikt =ALS om een lege waarde te vervangen door een nul of om de werkelijke celwaarde als resultaat te geven als dat niet het resultaat is. =ALS(ISLEEG(D15);0;D15)
Voorbeeld 2: gebruikt =ALS om te vragen om invoer.=ALS(ISLEEG(D15);"Voer iets in";D15)
Tip: Als u controleert op delen door nul of andere fouten, gebruikt u ALS.FOUT. Zie De functie ALS.FOUT gebruiken voor meer informatie.