U kunt een Microsoft Query-parameter query door de prompt te wijzigen, door gegevens uit een cel te gebruiken als de prompt of door een constante te gebruiken.

Zie Microsoft Query gebruiken om externe gegevens op te halen voor meer informatie over het maken van parameterquery's.

Opmerking: De volgende procedures zijn niet van toepassing op query's die zijn gemaakt met Power Query.

De aangepaste prompt voor een parameterquery wijzigen

  1. Klik op het werkblad op een cel in het externe gegevensbereik dat is gemaakt met de parameterquery.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Query's & verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Typ in het vak Vraag om waarde met behulp van de volgende tekenreeks de tekst die u wilt gebruiken voor de prompt en klik vervolgens op OK. De aangepaste prompt kan maximaal 100 tekens bevatten.

  7. Als u de nieuwe aangepaste prompt wilt gebruiken en de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Query's & Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

  8. In het dialoogvenster Parameterwaarde invoeren wordt de nieuwe prompt weergegeven.

    Opmerking: Als u wilt voorkomen dat u opnieuw wordt gevraagd tijdens elke vernieuwingsbewerking, kunt u het selectievakje Deze waarde/verwijzing gebruiken voor toekomstige vernieuwingen in. Als u gegevens uit een cel als parameterwaarde gebruikt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

  1. Typ in het werkblad de waarden die u wilt gebruiken als criteria in de query.

  2. Klik op een cel in het externe gegevensbereik dat met de query is gemaakt.

  3. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Query's & verbindingen op Eigenschappen.

  4. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  5. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  6. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  7. Klik op De waarde uit de volgende cel halen.

  8. Klik in het werkblad op de cel met de waarde die u wilt gebruiken.

    Als u de gegevens wilt vernieuwen wanneer u de waarde in de cel wijzigt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

  9. Klik op OK.

  10. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Query's & Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

  1. Klik op het werkblad op een cel in het externe gegevensbereik dat met de query is gemaakt.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Query's & verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Klik op De volgende waarde gebruiken.

  7. Typ de waarde die u wilt gebruiken voor de parameter en klik vervolgens op OK.

  8. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Query's & Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

De aangepaste prompt voor een parameterquery wijzigen

  1. Klik op het werkblad op een cel in het externe gegevensbereik dat is gemaakt met de parameterquery.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Typ in het vak Vraag om waarde met behulp van de volgende tekenreeks de tekst die u wilt gebruiken voor de prompt en klik vervolgens op OK. De aangepaste prompt kan maximaal 100 tekens bevatten.

  7. Als u de nieuwe aangepaste prompt wilt gebruiken en vernieuwen gegevens wilt gebruiken, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen. Klik vervolgens op Vernieuwen.

  8. In het dialoogvenster Parameterwaarde invoeren wordt de nieuwe prompt weergegeven.

    Opmerking: Als u wilt voorkomen dat u opnieuw wordt gevraagd tijdens elke vernieuwingsbewerking, kunt u het selectievakje Deze waarde/verwijzing gebruiken voor toekomstige vernieuwingen in. Als u gegevens uit een cel als parameterwaarde gebruikt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

Opmerking: Als u de wijzigingen wilt opslaan in de aangepaste prompt, moet u de werkmap opslaan. U kunt de query ook bewerken om de prompt te wijzigen. Zie Microsoft Query Help voor meer informatie over het bewerken van een Microsoft Query-query.

  1. Typ in het werkblad de waarden die u wilt gebruiken als criteria in de query.

  2. Klik op een cel in de externe gegevensreeks die is gemaakt met de parameterquery.

  3. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  4. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  5. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  6. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  7. Klik op De waarde uit de volgende cel halen.

  8. Klik op het werkblad op de cel met de waarde die u wilt gebruiken.

    Als u de gegevens wilt vernieuwen wanneer u de waarde in de cel wijzigt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

  9. Klik op OK.

  10. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

  1. Klik Excel op een cel in de externe gegevensreeks die is gemaakt met een parameterquery.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen Knopafbeelding.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Klik op De volgende waarde gebruiken.

  7. Typ de waarde die u wilt gebruiken voor de parameter en klik vervolgens op OK.

  8. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

De aangepaste prompt voor een parameterquery wijzigen

  1. Klik op het werkblad op een cel in het externe gegevensbereik dat is gemaakt met de parameterquery.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen De knop Verbindingseigenschappen in het dialoogvenster Eigenschappen van externe gegevens.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Typ in het vak Vraag om waarde met behulp van de volgende tekenreeks de tekst die u wilt gebruiken voor de prompt en klik vervolgens op OK. De aangepaste prompt kan maximaal 100 tekens bevatten.

  7. Als u de nieuwe aangepaste prompt wilt gebruiken en vernieuwen gegevens wilt gebruiken, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen. Klik vervolgens op Vernieuwen.

  8. In het dialoogvenster Parameterwaarde invoeren wordt de nieuwe prompt weergegeven.

    Opmerking: Als u wilt voorkomen dat u opnieuw wordt gevraagd tijdens elke vernieuwingsbewerking, kunt u het selectievakje Deze waarde/verwijzing gebruiken voor toekomstige vernieuwingen in. Als u gegevens uit een cel als parameterwaarde gebruikt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

Opmerking: Als u de wijzigingen wilt opslaan in de aangepaste prompt, moet u de werkmap opslaan. U kunt de query ook bewerken om de prompt te wijzigen. Zie Microsoft Query Help voor meer informatie over het bewerken van een Microsoft Query-query.

  1. Typ in het werkblad de waarden die u wilt gebruiken als criteria in de query.

  2. Klik op een cel in de externe gegevensreeks die is gemaakt met de parameterquery.

  3. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  4. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen De knop Verbindingseigenschappen in het dialoogvenster Eigenschappen van externe gegevens.

  5. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  6. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  7. Klik op De waarde uit de volgende cel halen.

  8. Klik op het werkblad op de cel met de waarde die u wilt gebruiken.

    Als u de gegevens wilt vernieuwen wanneer u de waarde in de cel wijzigt, schakelt u het selectievakje Automatisch vernieuwen wanneer de celwaarde verandert in.

  9. Klik op OK.

  10. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

  1. Klik Excel op een cel in de externe gegevensreeks die is gemaakt met een parameterquery.

  2. Klik op het tabblad Gegevens in de groep Verbindingen op Eigenschappen.

  3. Klik in het dialoogvenster Eigenschappen op Verbindingseigenschappen De knop Verbindingseigenschappen in het dialoogvenster Eigenschappen van externe gegevens.

  4. Klik in het dialoogvenster Verbindingseigenschappen op het tabblad Definitie en klik vervolgens op Parameters.

  5. Klik in het dialoogvenster Parameters in de lijst Parameternaam op de parameter die u wilt wijzigen.

  6. Klik op De volgende waarde gebruiken.

  7. Typ de waarde die u wilt gebruiken voor de parameter en klik vervolgens op OK.

  8. Als u de gegevens wilt vernieuwen, klikt u op de pijl naast Alles vernieuwen op het tabblad Gegevens, in de groep Verbindingen en klikt u vervolgens op Vernieuwen.

Meer hulp nodig?

U kunt altijd uw vraag stellen aan een expert in de Excel Tech Community of ondersteuning vragen in de Answers-community.

Meer hulp nodig?

Uw vaardigheden uitbreiden
Training verkennen
Als eerste nieuwe functies krijgen
Deelnemen aan Microsoft Office Insiders

Was deze informatie nuttig?

Hoe tevreden bent u met de taalkwaliteit?
Wat heeft uw ervaring beïnvloed?

Bedankt voor uw feedback.

×